IJzel

Nader Verklaard
Verwacht het KNMI ijzel dan doet u er verstandig aan uw snelheid te matigen, zodra de eerste neerslag valt. In luttele minuten kan de weg veranderen in een ijsbaan.

IJzel is eigenlijk niets anders dan regen, die bevroren is op de grond of op voorwerpen bij het aardoppervlak. Het ijslaagje kan zich op verschillende manieren vormen, meestal aan het eind van een vorstperiode, wanneer de grond bevroren is. Dat is goed mogelijk omdat de grond vaak langer koud blijft dan de lucht die erover stroomt. Een dooiaanval begint meestal op enige honderden meters hoogte, waar de minder koude lucht binnenstroomt. De koudere vrieslucht heeft door haar lagere temperatuur een groter gewicht dan de zachtere lucht. Daardoor weet de vorst zich aan het aardoppervlak het langst te handhaven.

De neerslag valt dan in de vorm van regen uit de zachte lucht, maar de druppels koelen onderweg in de koude lucht weer af. Zodra de regen de koude grond of voorwerpen daarop bereikt, bevriezen de druppels. Het ijs dat zo ontstaat, wordt ijzel genoemd. Bevriest de regen al eerder, dan spreekt met van ijsregen.

Het resultaat is hetzelfde: ook ijsregen kan aan de grond vastvriezen en een ijslaagje vormen. IJsregen kan ook als "ronde knikkertjes" op de bodem vallen en wegrollen. In de weerberichten van het KNMI worden al deze neerslagvormen ijzel genoemd.

Het is niet eenvoudig en vaak onmogelijk om de soort neerslag te voorspellen. Regen, sneeuw en ijsregen treden alle op bij temperaturen dicht bij het vriespunt. Verandert de neerslag van vaste in vloeibare vorm dan is de temperatuur aan het stijgen. De vorm van de neerslag biedt ons dus informatie over het temperatuurverloop op grote hoogte in de atmosfeer.

IJzel is voor het verkeer zeer gevaarlijk. Een geringe hoeveelheid kan al aanleiding geven tot gladheid. Voetgangers kunnen de ergste glijpartijen beperken door sokken over de schoenen te trekken.

KNMI

Sneeuwdek

Nader Verklaard
Een flink pak sneeuw dat bovendien geruime tijd blijft liggen is in ons land uitzonderlijk. Gemiddeld over een heel jaar loopt het aantal dagen met een sneeuwdek uiteen van 10 in Zeeland en Zuid-Holland tot meer dan 25 in het oosten van Groningen en Drenthe en het Limburgse heuvelland. Dat lijkt nog een redelijk aantal, maar op de meeste dagen ligt er maar weinig en is de sneeuw zo weer verdwenen.

Een grote hoeveelheid sneeuw van meer dan 20 centimeter, die niet door de wind is opgewaaid, komt in het binnenland gemiddeld slechts eens in de 10 jaar voor. Een laag van meer dan 35 centimeter ongeveer eens in een halve eeuw.

In de kustprovincies is de kans op een dik pak sneeuw in het algemeen nog kleiner, met uitzondering van het Waddengebied. De Waddeneilanden liggen bij een koude noordoostenwind soms net in de aanvoerroute van sneeuwbuien, die boven het relatief warme zeewater ontstaan. Onder die omstandigheden viel daar bijvoorbeeld in de winters van 1985 en 1987 plaatselijk een halve meter sneeuw. Ook met een zwakke westelijke wind kunnen sneeuwbuien die in koude lucht boven de Noordzee zijn ontstaan de kustprovincies binnendrijven en plaatselijk een flink pak sneeuw achterlaten. Door het buiige karakter van de neerslag en de geringe verplaatsingssnelheid van de buien kunnen de hoeveelheden over korte afstanden soms meer dan 10 centimeter verschillen.

Een sneeuwsituatie waarbij de sneeuw geruime tijd bleef liggen maken we weinig mee. Op 20 december 2009 lag er in een groot deel van het land 10 tot 20 cm, op enkele plaatsen zelfs 30 cm. Begin januari 2009 lag er in de zuidoosten van het land een week lang een sneeuwdek van gemiddeld 10 cm. Uniek was de sneeuwval op 2 en 3 maart 2005: in een groot deel van het noorden van ons land viel 20 tot ruim 50 cm. Nog geen week later was die enorme hoeveelheid sneeuw weer gesmolten.

In de strenge winters van 1963 en 1979 lag ons land op respectievelijk 71 en 58 dagen onder een laag sneeuw. In de zachte winters die we eind jaren tachtig, begin jaren negentig meemaakten, viel er nauwelijks sneeuw. Ook de koude winters van 1996 en 1997 leverden weinig neerslag. Alleen rond de jaarwisseling van 1996/1997 lag er in het zuidoosten plaatselijk 10 tot 20 centimeter.

KNMI

Kortste dagen

Nader Verklaard
De 21e december, de dag waarop dit jaar de sterrenkundige winter is begonnen, was de kortste dag van het jaar. In deze tijd komt de zon pas om 8u46 op en om 16u30 gaat zij weer onder.
Dit zijn echter niet de uiterste tijdstippen: vanaf 13 december gaat de zon later onder en op 30 december blijft het 's ochtends het langst donker. Dat komt doordat de baan van de aarde om de zon geen cirkel is, waardoor de zon in de winter sneller beweegt dan in de zomer. Het gevolg is dat de zon dagelijks iets later door het zuiden gaat. Ook is de daglengte (het verschil in tijdstip van opkomst en ondergang van de zon) afhankelijk van de geografische breedte. Zo heeft Zuid-Frankrijk al op 9 december de vroegste zonsondergang en de meest late zonsopkomst op 3 januari. De hoeveelheid zon die de atmosfeer op de kortste dag ontvangt, is 85% minder dan op de langste dag, rond 21 juni. Dit verschil danken we niet alleen aan de grotere daglengte, maar hangt ook samen met de hogere zonnestand. Hoe hoger de zon aan de hemel, hoe kleiner het oppervlak dat door een stralenbundel verlicht wordt en hoe hoger de temperatuur.

Toch zijn 21 juni en 21 december meestal niet de warmste en koudste dagen. We zouden het kunnen vergelijken met een brandglas: de stralenbundel van de zon moet exact worden gericht om papier te schroeien. Hoe kleiner het door de stralen verwarmde oppervlak, hoe hoger de temperatuur. Het papier moet eerst ook voldoende opgewarmd worden voor het vlam vat. Hoe dikker het papier, hoe langer dat duurt.

Het klimaatsysteem reageert vertraagd op veranderingen in de hoeveelheid warmte. De 21e december is meestal niet de koudste dag in De Bilt: de laagste temperatuur wordt ongeveer een maand later bereikt. Water warmt langzamer op dan land en houdt warmte ook langer vast. Daardoor gelden aan de kust andere data dan landinwaarts. In Rotterdam en Den Haag valt de koudste dag zo'n 45 dagen na 21 december. Voor het landinwaarts gelegen Winterswijk is dat verschil maar 10 dagen.

Het ligt voor de hand te veronderstellen dat dichtbij zee een warme maand vaker gevolgd wordt door opnieuw een warme maand, terwijl op een koude maand in veel gevallen nog een koude maand volgt. Dit blijkt inderdaad zo te zijn, maar alleen aan het einde van de zomer en de winter. Het verband van de temperatuur tussen opeenvolgende maanden neemt ook af naarmate de plaatsen verder van zee liggen. De relatie heeft alleen betrekking op de gemiddelde temperatuur en zegt niets over wind, regen en zon.

KNMI

Begin van de winter

Nader Verklaard
Op maandag 21 december 2009 om 18.47 uur begint officieel de winter van 2009/2010. Meestal begint de winter op de 21e december, maar in 2010 is 22 december de eerste winterdag. Soms is 20 december de begindatum, zoals in de 21e eeuw in 2080, 2084, 2088, 2092 en 2096.
De zon staat op de eerste dag van de winter loodrecht boven de Steenbokskeerkring. De verschillen in tijdstippen en soms ook data zijn het gevolg van het feit dat het tropisch jaar (het jaar waarop de kalender is gebaseerd) geen geheel aantal dagen telt, en van het invoeren van de schrikkeldag. De zon staat bij het begin van de winter het laagst boven de horizon, komt die dag in Midden-Nederland om ongeveer kwart voor negen op en gaat om half vijf onder.

De zon staat op de eerste dag van de winter loodrecht boven de Steenbokskeerkring. De verschillen in tijdstippen en soms ook data zijn het gevolg van het feit dat het tropisch jaar (het jaar waarop de kalender is gebaseerd) geen geheel aantal dagen telt, en van het invoeren van de schrikkeldag. De zon staat bij het begin van de winter het laagst boven de horizon, komt die dag in Midden-Nederland om ongeveer kwart voor negen op en gaat om half vijf onder. Deze dag is de kortste van het jaar, maar dat betekent niet dat de zon dan het laatst opkomt en het vroegst ondergaat.

Al vanaf 13 december gaat de zon later onder en pas op 30 december blijft het 's ochtends het langst donker. Dat komt doordat de aardbaan rond de zon niet cirkelvormig is, waardoor de zon in de winter schijnbaar iets sneller beweegt dan in de zomer. Het gevolg is dat de zon nu dagelijks iets later door het zuiden gaat. Ook is de daglengte (het verschil in tijdstip van opkomst en ondergang van de zon) afhankelijk van de geografische breedte. Zo heeft Zuid-Frankrijk al op 9 december de vroegste zonsondergang en de meest late zonsopkomst op 3 januari.

Het noordelijk halfrond heeft in deze periode de kortste dagen. Aan de Noordpool zelf blijft de zon zes maanden onder de horizon, maar het is daar niet zes maanden donker. De duisternis hangt samen met de burgerlijke avondschemering, die eindigt wanneer de zon zich 6 graden onder de horizon bevindt. De helderste sterren en planeten worden dan zichtbaar. Echt donker is het pas wanneer de zon 18 graden onder de horizon staat: de astronomische schemering genaamd. De burgerlijke schemering is op de Noordpool op 8 oktober geëindigd, de astronomische op 13 november.

De seizoensverschillen vinden hun oorzaak in de schuine stand van de as waar de aarde om draait. Hierdoor staat de zon op het Noordelijk Halfrond in de winter lager boven de horizon dan in de zomer. De zon beschrijft 's winters een kortere baan boven de horizon dan 's zomers en is vooral daardoor maar weinig uren zichtbaar. Hoe noordelijker, hoe korter de zon boven de horizon staat. In het gebied noordelijk van de Poolcirkel is de zon in deze periode gedurende een paar maanden in het geheel niet zichtbaar. Zelfs binnen de grenzen van ons eigen land is dat verschil in daglengte al merkbaar: vandaag duurt de dag in het uiterste noorden Nederland ongeveer 20 minuten korter dan in het uiterste zuiden.

KNMI

December

Nader Verklaard
In de Romeinse tijd was december de tiende maand (decem was latijn voor tien), tegenwoordig is het de twaalfde en laatste maand van het kalenderjaar en de eerste maand van de meteorologische winter. December heeft de kortste dagen maar is nog niet de koudste maand van het jaar.

KNMI

December in Nederland

Herfst in drie eeuwen

Nader Verklaard
De afgelopen herfst was bijzonder zacht maar de herfst van 2006 blijft veruit de warmste sinds het begin van de temperatuurmetingen in ons land. In december 1705 begon wateropziener Nicolaus Cruquius als eerste in ons land systematisch het weer bij te houden.

Drie keer per dag noteerde hij luchtdruk, temperatuur, vochtigheid en wind en ook de neerslag en verdamping. Cruquius begon weerinformatie te verzamelen om de waterhuishouding beter te begrijpen. Hij verzamelde ook gegevens van getijden en waterstanden, de hoogte en kwaliteit van dijken en stormvloeden en overstromingen. Hij wilde de informatie uitbrengen op kaarten ter ondersteuning van zijn grootse plan om ons land te beschermen tegen overstromingen. In samenspraak met enkele professoren uit Leiden diende hij in 1727 zijn plan in bij de toenmalige regering, de Staten van Holland.
Zijn vooruitstrevende ideeën lopen echter vast in de ambtelijke molens. Zijn bewaard gebleven weerkundige waarnemingen zijn echter van blijvende waarde en vanwege de klimaatproblematiek zeker tegenwoordig van onschatbare waarde. De afgelopen vijftien jaar hebben al vijf maanden, seizoenen en jaren het predikaat warmste in drie eeuwen gekregen. De forse en opvallende temperatuurstijging van de laatste decennia komt dus duidelijk tot uiting in de eeuwenoude meetreeksen.

De gemiddelde temperatuur over de drie herfstmaanden september, oktober en november 2006 was 13,6 graden, waarmee dit jaar nog een stuk warmer is dan de uitzonderlijk zachte herfst van 2005. Na 2006 wordt de top tien in drie eeuwen nu aangevoerd door 2005 en 1731 (12,0 graden), 1772 (11,9), 1723 en 1779 (11,8) en 1795 en 1969 (11,7 graden). Dagboeken uit de zeventiende eeuw bevestigen de “seer scone warme herfst” en maken melding van wekenlange periodes van warm herfstweer. Een schrijver in Den Haag ziet half november 1723 “druiven die volkomen geset waren en een appelboompje dat twee nieuwe vrugtjes hadde en een bloesem geleijck”.

De temperatuurmetingen zijn in de achttiende eeuw gedaan in het westen van ons land. Cruquius verrichtte zijn metingen in Delft en Leiden, maar de meeste waarnemingen zijn gedaan bij het door water omringde Huize Swanenburgh in Halfweg. De oude metingen worden door het KNMI tegenwoordig nader onderzocht op kwaliteit om ze enigszins vergelijkbaar te kunnen maken met de huidige temperatuurmetingen. Door de aandacht voor historische klimaatreeksen komen steeds meer gegevens beschikbaar en is het beter mogelijk geworden de uitzonderlijkheid van zo’n seizoen te bepalen.

Voor andere gegevens dan de temperatuur, zoals neerslag en zon zijn minder lange reeksen beschikbaar. Voor neerslag sinds midden negentiende eeuw en voor de zon sinds het begin van de twintigste eeuw. Zo is vast te stellen dat de herfst van 2005 op één na de zonnigste was sinds het begin van de metingen. Het najaar van 1959 staat aan top met in de drie herfstmaanden 449 zonuren tegen 298 normaal.

KNMI

Neerslag maken

Nader Verklaard
In ons land hebben we er meestal niet zo'n behoefte aan, maar de mens is in staat om regen te op te wekken. Regendansen en processies om regen op te roepen zijn in sommige landen als eeuwenoude tradities nog steeds in gebruik, maar het effect hiervan is nooit bewezen. In de jaren dertig van deze eeuw heeft de Nederlander August Willem Veraart (1881-1947) als eerste proeven gedaan om regen op te wekken.
Veraart kon in de zomer en het najaar 1930 gebruik maken van vliegtuigen van de luchtmacht van waaruit een mengsel van vast ijs en koolzuur op de wolken werd gestrooid. Vooral de proef van 6 oktober 1930 kreeg bekendheid. Vanuit drie vliegtuigen was 1800 kilo ijs en vast koolzuur geworpen op grote buienwolken. Binnen 24 uur kwamen er in het westen van ons land tientallen millimeters regen omlaag. Achteraf bleek dat die regen waarschijnlijk niets met de proeven had te maken en anders ook gevallen zou zijn.

Ook tegenwoordig worden in sommige landen nog steeds wolken bezaaid of beschoten om het neerslagproces te beïnvloeden. Door enorme hoeveelheden kristallen zilverjodide aan wolken toe te voegen kan het opeens gaan regenen. De kleine waterdruppeltjes, waaruit een wolk bestaat zetten zich af op de kristallen en komen dan als neerslag omlaag. Door de wolken versneld te laten uitregenen, kan het droog blijven op plaatsen waar de wolken heen drijven. Deze techniek wordt in Rusland ook toegepast om het bij belangrijke evenementen droog te houden. Men zorgt ervoor dat de wolken op een andere plek op afstand van het evenement versneld uitregenen.

De techniek wordt ook gebruikt om hagelbuien te beïnvloeden. Daarbij worden granaten, die kristallen zilverjodide bevatten, met behulp van raketten afgevuurd op wolken. De waterdruppels in de wolk zetten zich af op de vele kristallen die daarin terecht zijn gekomen. Ze worden dus verdeeld over een groot aantal kristallen, waardoor ieder ijskristal afzonderlijk minder groot wordt. Het gevolg is dat de hagelstenen die uit zo'n wolk vallen ook niet zo groot zijn en daarmee kan schade worden voorkomen. Deze technieken worden incidenteel toegepast in Italië, Spanje en Frankrijk om te voorkomen dat de oogst van druiven en sinaasappels door zware hagelbuien wordt vernield.

Ook bosbranden in Indonesië probeert men te bestrijden door kunstmatig regen te maken. Brandende hete gebieden veroorzaken opstijgende luchtstromingen waardoor wolken ontstaan. Druppels in die wolken kunnen zich afzetten op kristallen zilverjodide die vanuit vliegtuigen op de wolken zijn gestrooid. De druppels kunnen dan als regen omlaag komen. In verhouding tot de enorme oppervlaktes die in brand staan lijkt deze kostbare operatie niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat. Ook in China worden wolken bezaaid met kunstmatige vrieskernen om de vorming van neerslag te bevorderen.

Onderzoekers van het Amerikaanse Nationale Centrum voor Atmosferisch Onderzoek hebben onlangs een nieuwe methode geïntroduceerd om regen te maken. Zij maken gebruik van een mix van natrium- en kaliumchloriden die vanuit een vliegtuig in de wolken worden gespoten, waardoor het kan gaan regenen.

KNMI

November

Nader Verklaard
November is afgeleid van Novem, de negende maand. Het vaak onstuimige weer heeft november namen opgeleverd als wind- of dolmaand. In de volksmond wordt de derde herfstmaand ook wel nevelmaand genoemd. Opmerkelijk zijn de grote tegenstellingen in het weer. Een nazomers weertype met 20 graden of meer is evengoed mogelijk als strenge vorst met meer dan 10 graden onder nul. November is de natste maand van het jaar met landelijk 79 mm neerslag in 72 uur.

KNMI

November in Nederland

Oktober

Bacchus_2

Nader Verklaard
De achtste maand van het Romeinse jaar genoemd naar octo (acht) opgedragen aan wijnliefhebber Bacchus, vandaar de bijnaam wijnmaand. Oktober werd voorheen ook wel aarselmaand genoemd vanwege de aarzeling tussen herfst en winter. Het is een echte overgangsmaand met soms nog zomers weer maar soms ook sneeuw en matige vorst.

De kuststrook profiteert van het warme zeewater dat na de zomer maar langzaam afkoelt. 's Nachts koelt het daardoor aan zee meestal minder af dan in het binnenland.   

KNMI

Oktober in Nederland

Begin van de herfst

Nader Verklaard
Op dinsdag 22 september om 23.18 uur begint volgens de sterrenkundige kalender de herfst 2009. De zon staat dan precies boven de evenaar waardoor dag en nacht dan overal op aarde even lang duren. De astronomische herfst begint in 2010 op 23 september en meestal is dat de begindatum.

De andere seizoenen echter meestal op de 21e. Dat heeft onder andere te maken met het feit dat de baan van de aarde geen cirkel is. De verschillende data zijn het gevolg van het feit dat we eens in de vier jaar een schrikkeljaar hebben dat een dag meer telt dan de andere jaren. In het begin van de 20e eeuw viel de eerste herfstdag enkele keren zelfs op 24 september, het laatst in 1931. De wintertijd gaat pas in het laatste weekeinde van oktober in; dat sluit beter aan bij het weer omdat het de in deze tijd nog prima nazomerweer kan zijn.

De astronomische seizoensindeling is gebaseerd op de positie van de aarde ten opzichte van de zon. De seizoensverschillen vinden hun oorzaak in de schuine stand van de as waar de aarde om draait. Hierdoor komt de zon op het noordelijk halfrond in de zomer hoger boven de horizon dan in de winter en schijnt daardoor in de zomer langer dan in andere jaargetijden.Om praktische redenen en volgens internationale afspraak gebruiken de weerkundigen voor het berekenen van klimatologische gemiddelden een andere seizoensindeling.

De Societas Meteorologica Palatina, een van de eerste internationale weerorganisaties onder leiding van de Duitse keurvorst Karl Theodor besloot in 1780 om steeds drie opeenvolgende kalendermaanden als één seizoen te beschouwen. Volgens de klimatologische indeling is de herfst al op 1 september begonnen en duurt het seizoen tot met 30 november.

Het weer stoort zich niet aan deze data en tot laat in de herfst kan het nog zomers zijn. Zelfs in oktober zijn de laatste jaren in ons land nog regelmatig temperaturen gemeten tussen 20 en 25 graden gemeten. Wel worden de verschillen in temperatuur tussen het noordelijk halfrond en de tropen steeds groter, waardoor zich diepere depressies kunnen vormen die veel wind veroorzaken. Een heel rustig en nevelig weertype is echter ook karakteristiek voor het najaar.

KNMI

Oudewijvenzomer

Nader Verklaard
Een periode met mooi najaarsweer wordt ook wel oudewijvenzomer genoemd, maar over de datering van dit begrip bestaan misverstanden. Volgens oude gezegden mag alleen warmte rond 8 november zo worden genoemd, maar volgens klimatologen gaat het om warme dagen tussen 17 en 25 september. Oorspronkelijk komt het begrip uit de Noordse of Germaanse mythologie, waarin noodlotsgodinnen wevend of spinnend werden afgebeeld. Ze beeldden daarmee de menselijke levensdraden uit. De term "oudewijven" is waarschijnlijk terug te voeren op een vrouwelijke watergeest met lange witte haren. Later werd het toegeschreven aan oude breiende vrouwen en aan veldspinnen die bij rustig nazomerweer lange draden spinnen.

De verwarring is begrijpelijk want het najaar kent verschillende oplevingen van de zomer met uiteenlopende benamingen. In Nederland en Vlaanderen wordt een zomerse periode rond 29 september wel Sint Michielszomertje genoemd, begin oktober heet dat kranenzomer, rond 11 oktober Sint Gummaruszomertje en 11 november spreekt men van de Sint Maartenszomer.

De Zweden noemen mooi nazomerweer Brittazomer, afgeleid van de heilige Brigitta (8 oktober), in Tsjechië spreekt men van de Sint Wenzelszomer (28 september), Engeland noemt het "St. Luke's little summer" (18 oktober), Frankrijk "l'été de St. Dénis" (vanaf 9 oktober) en Italië noemt warmte rond midden oktober de zomer van Theresia. Duitsland kent naast de "Altweibersommer" (eind september) ook "Allerheiligensommer" (begin november) en het noorden van de Verenigde Staten staat de nazomer bekend als "Indian Summer". Rusland heeft de "babje Ljeto", wat vrouwenzomer betekent. Een verklaring zou zijn dat de Russische zomer maar kort duurt net als het geluk dat een Russische vrouw in haar leven heeft.

Het warme najaarsweer hangt samen met een hogedrukgebied boven Midden-Europa, waardoor de wind in West-Europa uit het zuiden waait. Daarmee wordt warme lucht aangevoerd uit het gebied van de Middellandse Zee, waar in oktober en november nog temperaturen van 25 tot 30°C mogelijk zijn. In ons land wordt de 25°C in oktober soms nog overschreden en in november ligt die grens bij 20°C. Het mooie nazomerweer kan meer dan een week aanhouden, in oktober 1921 duurde het zelfs twee weken. Meestal leidt het rustige weer 's avonds wel tot mist, die door de afnemende kracht van de zon 's ochtends steeds langzamer verdwijnt en zich soms de hele dag weet te handhaven.

KNMI
 

Septemberwarmte

Nader Verklaard
De maand september, ook wel herfst-, fruit-, of gerstmaand genoemd, heeft nog vaak meer weg van de zomer dan van het najaar. Volgens de astronomische kalender horen de eerste drie weken ook nog tot de zomer. Gemiddeld wordt het nog op 10 septemberdagen minstens 20 graden (warme dagen) en 1 dag in september 25 graden of warmer (zomerse dagen).

In 2006 telde september in De Bilt een recordaantal van 26 warme dagen. September 1947 staat wat zomerse dagen aan top met 11 stuks in De Bilt en 14 zomerse dagen plaatselijk in het zuiden. De Bilt had toen op 19 september met 30,1 graden nog een tropische dag. Tropische warmte komt wel vaker voor in deze maand: in 1919 was het vanaf 11 september zelfs drie dagen achtereen warmer dan 30 graden.

De warmste september sinds het begin van de metingen in 1706 staat geboekt in 2006 met gemiddeld 17,9 graden tegen 14,2 normaal. Op de tweede plaats van de eeuwlijst staat september 1999 met 17,4 graden, op de derde plaats september 1949 met 17,2 graden. De temperatuur kwam zowel in september 1949 als in 2006 in De Bilt toen op acht dagen boven de 25 en twee dagen boven de 30 graden. Vooral 5 september 1949 was heet: De Bilt noteerde toen 34,2 en Buchten in Zuid-Limburg en Gilze Rijen in Brabant kwamen tot 34,8 graden. De hoogste thermometerstand ooit in deze maand genoteerd is 35,2 graden op 4 september 1929 in Maastricht. Voor de tweede decade van de maand is het eeuwrecord 33,6 op 12 september 1919 in Sittard en voor de laatste tien dagen 30,4 graden op 26 september 1967 in Buchten.

Ook 's nachts kan het nog lang warm blijven, vooral in het begin van de maand en vooral aan de kust. Het zeewater blijft na de zomer nog lange tijd warm, waardoor de nachtelijke afkoeling flink wordt getemperd. Verschillen van meer dan 10 graden tussen kust en binnenland zijn 's nachts geen uitzondering. De warmste septembernacht beleefde De Bilt op 5 september 1949 toen de temperatuur het hele etmaal niet lager kwam van 19,1 graden.

KNMI

September

Nader Verklaard
Zeven_2Septem (zeven) was vroeger de naam van deze maand toen het voor de Romeinen de zevende maand was. In de Juliaanse kalender waarin het de negende maand werd, bleef de naam bestaan. Bijnamen zijn gerstmaand, havermaent en d'ander oogstmaand. Na augustus is september de tweede oogstmaand voor de late graangewassen.

Meteorologisch begint op 1 september de herfst maar volgens de astronomische kalender begint het nieuwe seizoen pas rond 22 september. Dat laatste sluit beter aan bij de klimatologie: de eerste septemberweken horen gemiddeld nog helemaal bij de zomer met soms zelfs nog tropische temperaturen. 

KNMI

September in Nederland:

Buienstraten

BuienstratenHoewel er in de zuidelijke helft van het land vandaag behoorlijk wat ruimte voor de zon was met slechts een enkele losse bui, trokken er over de noordelijke helft een paar stevige buien, soms ook met onweer. Toch verschilde ook daar de buienactiviteit van plek tot plek. De buien die voorbij trokken ontstonden namelijk in vrij rechte lijnen. Zat je dus net onder die lijn, dan leek er geen einde te komen aan de regen, maar verbleef je net 5 kilometer zuidelijker of noordelijker hield je het vrijwel droog. Je kon de buien dan wel langs zien trekken, maar ze bleven in diezelfde strakke lijn passeren. We noemen dit ook wel buienstraten.

Boven het warme water van de Noordzee ontstonden vandaag gemakkelijk buien en deze dreven met een westelijke stroming het land op. Opvallend was wel dat ze in een vrij strakke lijn het land overtrokken, ofwel er ontstonden buienstraten. Er zijn verschillende redenen waardoor deze straten ontstaan en één van deze redenen is de windrichtingen op verschillende hoogten in de atmosfeer. Vaak is het zo dat er in de bovenlucht een heel andere windrichting voorkomt dan aan de grond. We noemen dat ook wel windschering. Je kunt dan denken aan een zuidwestelijke stroming aan de grond en een westelijke wind hoger in de atmosfeer en op welke hoogte de buienwolk zich op dat moment bevindt, wordt hij meegevoerd met de wind op die specifieke hoogte.

In het geval van vandaag hebben juist helemaal niet te maken met windschering. Zowel de wind aan de grond als op verschillende andere hoogten in de atmosfeer komt uit westelijke richtingen. Zodra er een bui ontstaat wordt deze dus in een vrij rechte lijn vooruit geblazen. Dat is voor één bui natuurlijk gemakkelijk uit te leggen, maar in dit geval volgen de buien elkaar in een rap tempo in diezelfde lijn op.

Vorming van buien
Het zeewater verschilt natuurlijk van plaats tot plaats in temperatuur en zo zijn er altijd plekken die warmer zijn dan de andere. De redenen kunnen verschillen van warme stromingen tot verschillen in diepte. Ditzelfde zien we ook boven land terug. Zandgronden warmen bijvoorbeeld sneller op dan kleigrond. Boven die warme delen wordt de lucht opgewarmd en stijgt op. Op zo’n plek ontstaan dus gemakkelijk buien en zodra de eerste bui met die westelijke stroming weg is gedreven, volgt er al snel weer een volgende bui op diezelfde plek. Er ontstaat dan een buienstraat.

Stijgende en dalende luchtbewegingen
Een andere reden dat de buien in een vrij strakke lijn blijven bewegen is dat er bij een bui altijd sprake is van stijgende luchtbewegingen, maar als de lucht opstijgt, moet het ook weer ergens dalen. Dat is altijd mooi te zien bij stapelwolken. Rondom zo’n wolk is het vaak mooi blauw en dat zijn nou juist die dalende luchtbewegingen. In dalende lucht kunnen geen buien ontstaan, dus aan weerszijden van de bui is de lucht blauw. Hierdoor wordt de lijnvorm nog mooier zichtbaar.

Veel of geen regen
Het is al een lastige kwestie om exact te zeggen waar buien precies gaan ontstaan, maar in dit geval is het helemaal vervelend voor degenen die zich precies onder zo’n straat bevinden. De buien volgen elkaar namelijk in een rap tempo op en precies in die lijn lijkt het dan ook de hele dag te regenen met lokaal behoorlijke hoeveelheden neerslag, terwijl het in andere delen van het land prachtig weer is met flink wat ruimte voor de zon. Zelfs 5 kilometer ten zuiden of noorden van die lijn is dat soms zelfs al het geval.

Activeren boven land
Hoewel er vroeg in de ochtend juist vooral op zee onweer bij de buien zat, zagen we dat er ’s middags vooral boven land buien met onweer voorkwamen. Dit komt doordat het zeewater vanochtend nog warmer was dan het land. In de loop van de dag verandert dat omdat het land door instraling overdag opwarmt en uiteindelijk warmer wordt dan het zeewater. ’s Middags kregen de buien boven land dus juist weer een extra zetje, door toenemende stijgende luchtbewegingen.

Bron: Meteo Consult

Zwoele zomernachten

Nader Verklaard
Op zeer warme dagen blijft het, als er nog weinig aan het weer verandert, ook 's avonds warm. Vooral bij dreigend onweer kan het 's nachts bijzonder warm zijn. De lucht wordt vochtiger waardoor de warmte drukkender wordt en bovendien komt voorafgaand aan een onweerstoring in de regel een versterkt transport van warmte uit Midden of Zuid-Europa op gang. De gebruikelijke temperatuurdaling na zonsondergang wordt dan minder en soms wordt het midden in de nacht zelfs weer iets warmer.

Zo liep de temperatuur in de zwoele nacht van 31 juli op 1 augustus 1983 tussen 4 en 6 uur een paar graden op, waardoor het rond die tijd op enkele plaatsen 25 graden was. Daarna begon het onweer en daalde de temperatuur, zodat het maximum voor die eerste augustus op de meeste plaatsen 's ochtends om 5 of 6 uur werd gemeten. Op 29 juli 1947 werd op het toenmalig weerstation van Maastricht een minimum van 26,0 graden genoteerd, de warmste nacht in honderd jaar. Op 11 juli 1923 noteerde Vlissingen een minimum van 23,3 graden. In Den Helder werd op 22 juli 1925 een minimum van 22,5 graden gemeten.

In een zeer warme periode komt het vaker voor dat de minimumtemperaturen in ons land schommelen tussen 20 en 22 graden, hartje zomer is dat ongeveer 10 graden warmer dan normaal. Als het zeewater relatief warm is koelt het in de regel aan de kust minder af dan landinwaarts en vooral in de tweede helft van de zomer worden de hoogste minimumtemperaturen vaak gemeld door weerstations aan zee.

In de weerrapporten worden de minimumtemperaturen gegeven over de periode 20 tot 8 uur, zodat die waarden steeds gelden voor de afgelopen nacht. Voor de statistiek bepaalt het KNMI de uiterste waarden van de temperatuur van een dag volgens internationale afspraken over het etmaal 0 tot 24 uur Universal Time. Dat komt bij ons overeen met 's nachts 2 uur Zomertijd.

De hoogste zomerse minimumtemperatuur in De Bilt sinds 1901 (over het etmaal 0-24 uur) was 20,8 graden op 9 augustus 2004. Voor juni bedraagt het recordminimum 20,0 graden op 27 juni 1947 en voor juli 20,6 graden op 22 juli 1925.

KNMI

Zwaar onweer

Nader Verklaard
Bij (opkomend) zwaar onweer met soms ieder seconde een bliksemflits, kan het heftig tekeer gaan en moet u bedacht zijn op plotselinge windvlagen, slagregens en hagel. Zware onweersbuien ontstaan in een vochtig overgangsgebied van zeer warm (tropisch) naar veel kouder weer. Tijdens zo'n bui kan de temperatuur in minder dan een half uur 10 tot 15 graden dalen. De buien worden het hevigst als er op grote hoogte in de atmosfeer een zeer sterke wind staat (straalstroom).

De buienwolken kunnen uitgroeien tot ongeveer 15 kilometer hoogte en bevatten een enorme hoeveelheid onderkoeld water en op grote hoogte ijskristallen, waardoor ze veel neerslag kunnen opleveren. Sommige buien leveren meer dan tien millimeter in een half uur op. In zo'n wolkencomplex met sterk stijgende en dalende luchtstromingen hebben de druppels een lange weg te gaan voor ze het aardoppervlak bereiken. Daardoor kunnen ze alsmaar groter worden en dat verklaart de flinke druppels of hagelstenen die uit een zware bui vallen. Zware onweersbuien kunnen hagelstenen zo groot als tennisballen produceren.

Buien groeperen zich vaak langs lijnen, die worden voorafgegaan door windstoten. Het gevaarlijke weer is in de lucht te herkennen aan buidelvormige wolken aan de rand van het buiengebied. De wind kan al opsteken als de eigenlijke bui nog tientallen kilometers verwijderd is, wat zeer verraderlijk is.

RolwolkBijzonder zware buien worden soms voorafgegaan door een rolwolk, een indrukwekkende, scherp begrensde wolkenbank, die inktzwart kan zijn. Ook overdag kan het dan aardedonker worden. Een rolwolk wordt vergezeld door enorme en plotselinge windstoten van soms 100 tot 150 kilometer per uur.

Het is een voorkeursplaats voorwindhozen, maar vaak blijft het bij een begin van hoosvorming in de lucht. Reikt de slurf wel tot de grond, dan is schade onvermijdelijk.

Als sprake is van zwaar weer en de donkere wolken naderen is het verstandig naar binnen te gaan, de ramen te sluiten en antenneaansluitingen te ontkoppelen. Op en aan het water loopt u door wind en bliksem grote risico's en automobilisten kunnen bij naderend noodweer het best een parkeerplaats opzoeken en in de auto afwachten tot het ergste voorbij is. Blijf dan, ook met uw auto, uit de buurt van bomen. Vooral bladdragers kunnen de windstoten niet altijd weerstaan. Bij zwaar onweer met veel bliksemontladingen en zeer zware windstoten worden extra waarschuwingen of een weeralarm gegeven.

KNMI

Tropische dagen

Nader Verklaard
Een dag waarop de maximumtemperatuur 30,0 graden of hoger is wordt in de meteorologie een tropische dag genoemd. In De Bilt is 5 mei 1916 de vroegste tropische datum van het jaar, landelijk is 21 april 1968 met 32,2 graden in Venlo en Gemert de vroegste tropische dag.
Het grootste deel van ons land telt tegenwoordig 2 tot 5 tropische dagen per jaar, het oosten van Limburg 6. In sommige jaren met warme zomers loopt dat aantal op tot meer dan 20 tropische dagen. In de zomer van 1976 werd in het zuiden van ons land op vijftien opeenvolgende dagen meer dan 30 graden gemeten. De zeer warme juli van 2006 leverde daar plaatselijk achttien tropische dagen op.

In de kustprovincies is tropische warmte door het koudere zeewater uitzonderlijker, maar bij aflandige wind wordt ook hier soms de 30 graden overtroffen. Op 19 juli 2006 is in Westdorpe in Zeeland 37,1 graden gemeten. Eind juli 2002 beleefde Westdorpe drie tropische dagen met 31,7, 32,5 en 34.9 graden. In de uitzonderlijk warme zomer van 1976 registreerde Vlissingen 7 tropische dagen.

In 1995 werd het in Arcen op 23 dagen meer dan 30 graden. Het totale zomeraantal lag net iets onder het record van 1947 toen Maastricht 27 tropische dagen telde. De langste tropische periode bood 1941 met vanaf 7 juli een serie van zeven tropische dagen. Een serie van zes tropische dagen had ons land vanaf 4 augustus 1975 en periodes van vijf tropische dagen vanaf 9 augustus 1997, 24 juni 1976, 2 juli 1976, 10 juli 1923 en 9 augustus 1911.

De hoogste temperatuur ooit in Nederland gemeten is 38,6 graden op 23 augustus 1944 in Warnsveld. Arcen noteerde op 6, 7 en 8 augustus 2003 achtereenvolgens 35,2, 37,8 en 37,7 graden en op 12 augustus 37,2 graden.

KNMI

Augustuswarmte

Nader Verklaard
De oogst- of korenmaand, zoals augustus wel wordt genoemd, is aan zee de warmste maand van het jaar. Water warmt langzamer op dan land en de hoogste zeewatertemperaturen worden meestal aan het eind van de zomer gemeten. De kust profiteert daar goed van en vooral 's avonds en 's nachts is dat te merken.
Zo heeft Vlissingen in augustus een gemiddelde minimumtemperatuur van 14,4 graden en in warme periodes komt de temperatuur daar 's nachts soms niet onder de 20 graden. In het binnenland, waar de langere nachten al fris kunnen worden, ligt het gemiddeld minimum rond 11 graden en daalt de temperatuur soms al tot dichtbij het vriespunt.

In de middag worden de hoogste temperaturen juist landinwaarts gemeten en varieert het gemiddelde van 19 graden langs de kust van Noord-Holland tot ruim 22 graden in het zuiden. De warmste dagen hebben we vaak in de eerste helft van de maand, maar ook eind augustus kan het nog tropisch zijn. De hoogste temperatuur in ons land gemeten staat toevallig genoteerd op 23 augustus, toen de waarnemer in Warnsveld in de zomer van 1944 de thermometer op 38,6 graden zag staan. Op 4 augustus 1990 noteerde Kapellebrug in Zeeland 36,7 graden en op 4 augustus 1994 meldde Volkel 36,3 graden. Augustus 1997 was met gemiddeld 20,5 graden de warmste oogstmaand geworden tenminste sinds het begin van de waarnemingen in 1706.

De kans op een hittegolf, een periode met minstens vijf zomerse dagen (25 graden of hoger) achter elkaar waarvan er zeker drie tropisch (30 graden of hoger) zijn, is in de eerste helft van augustus duidelijk groter dan later in die maand. Van de 38 hittegolven, die sinds 1901 in De Bilt zijn voorgekomen, vielen er negen geheel en negen gedeeltelijk in augustus.

In vijf zomers van de afgelopen ruim honderd jaar begon de hittegolf pas in de tweede helft van de maand. Zowel in 1930 als in 1942 begon pas op 26 augustus een hittegolf, in 2001 op 22 augustus. Op 28 augustus 1930 werd in Maastricht een temperatuur van 35,3 graden gemeten. In deze periode beleven we vaker een opleving van de zomer. In de volksmond wordt dat de Augustijnzomer genoemd, naar de heilige Augustinus wiens naamdag op 28 augustus valt. Flarden van nevel of mist, die na zonsondergang ontstaan en vaak ook 's ochtends nog blijven hangen roepen dan een herfstachtige sfeer op.

KNMI

Het weer op de Canarische eilanden

Nader Verklaard
De maand juli eindigde op de Canarische Eilanden met enkele uitzonderlijk warme dagen. Maspalomas op Gran Canaria noteerde 42,2 graden en Tenerife-Sur 41,5 graden. Hitte en droogte hebben op de Canarische Eilanden, evenals twee jaar geleden rond deze tijd, geleid tot bosbranden.
Gewoonlijk is het weer op de Canarische Eilanden ideaal voor vakantiegangers. De zeven eilanden tellende archipel met vulkanisch landschap kent een Middellandse-Zeeklimaat. De zon schijnt er uitbundig, regen valt er weinig en overdag liggen de temperaturen tussen gemiddeld 20 graden in januari en 30 graden in augustus.

De zeewatertemperatuur ligt tussen 20 en 24 graden, waardoor extreme hitte meestal wordt getemperd maar het ook nooit koud wordt. 's Nachts ligt de gemiddelde temperatuur tussen 14 en 21 graden. In Las Palmas zakt de temperatuur zelden onder de 10 graden, het record is 7 graden op 6 januari 1943. Het record overdag is 44,2 graden op 13 juli 1952. De dag ervoor noteerde Santa Cruz de Tenerife 42,6 graden.

Op de heetste dagen wordt de lucht met de sirocco, ook wel La Calima genaamd, aangevoerd uit de Sahara. Die wind brengt vaak stof mee uit de woestijn, waarin het zicht soms kan teruglopen tot bijna nul. De hete wind zorgt ook 's nachts voor warmte. Op Lanzerote werd op 27 juli 1941 een nachtelijk minimum gemeten van 31,9 graden.

Meestal waait echter een noordoostenwind die in de onderste luchtlagen vochtige lucht aanvoert. Op 1000 meter hoogte is de lucht echter droger waardoor meestal alleen aan de noordelijke kant van het eiland wolken en buitjes ontstaan. Wanneer de wind iets meer naar het noorden draait drijven wolkenvelden die zich ten noorden van de Canarische Eilanden vinden het land op. De wolken bereiken het zuiden meestal niet zodat de zon daar dan onderbroken blijft schijnen. Lanzerote en Las Palmas noteren in juli 285 uur zon, Tenerife 335 uur. Zelfs in een wintermaand zien de Canarische Eilanden nog 170 uur zon, een aantal dat in De Bilt in een zomermaand niet ongewoon is.

Regen valt in de zomer nauwelijks, alles valt in het winterhalfjaar. November en december zijn de natste maanden met 21 mm in Las Palmas en ongeveer 45 mm op Tenerife. In die maanden kan het hard regenen, de bewoners noemen dat de borascas. Dat zijn korte periodes met overvloedige regen, veroorzaakt door depressies die ten zuiden van de Azoren ontstaan. La Retamillia op Gran Canaria noteerde ooit 428,6 mm in 24 uur. Het record voor Tenerife is 260 mm in La Laguna op 11 april 1977. Las Palmas noteerde ooit 239 mm in een etmaal.

KNMI

Mooi-weerdagen

Nader Verklaard
Mooi weer is subjectief: voor een zeiler moet het waaien, een fietser houdt juist niet van tegenwind en aan het strand willen we zon en aangename warmte. Regen wordt meestal niet gewaardeerd, maar als het dagen achtereen droog is kan een bui juist een verademing zijn, zeker voor de landbouwer, die zijn gewassen ziet verpieteren. Mooi weer is dus lastig onder één noemer onder brengen maar in het algemeen is een zonnige, droge en vrij warme dag waarop we een terrasje kunnen pikken ook een mooie dag.
Voor de klimatologie heeft het KNMI mooi weer gedefinieerd als een dag met veel zon (minstens 50% van de tijd dat ze kan schijnen), weinig of geen neerslag (in 24 uur hooguit 0,2 mm) en een bovennormale temperatuur. De normale temperatuur wordt statistisch bepaald uit het etmaalgemiddelde over periodes van 10 dagen, het decadegemiddelde. De klimatologische grenzen veranderen met de tijd van het jaar: in april voldoet een dag dus bij een lagere temperatuur aan het criterium “warm” dan bijvoorbeeld in augustus”. Als norm wordt een marge aangehouden rond het gemiddelde. Voor internationaal gebruik worden mooi-weerdagen aangeduid als ADS-dagen. De “A” staat voor een temperatuur “Above normal” , de “D” voor “Dry” en de “S” voor “Sunny”.

Juli en augustus bieden doorgaans de meeste dagen met mooi weer. Gemiddeld over honderd jaar tellen die zomermaanden er in De Bilt elk 7, tegen 5 in april en juni. September levert gewoonlijk 4 mooi-weerdagen op, maart 3, oktober 2 en de wintermaanden gemiddeld 1 à 2. Een heel jaar biedt gemiddeld 45 dagen met mooi weer, maar in zonnige, droge en warme jaren zijn dat er natuurlijk veel meer. Het jaar 1947 scoort het fraaist met 90 mooi-weerdagen. Augustus 1947 is ook de recordmaand met 24 mooie dagen.

Het jaar 2007 telde in totaal 64 mooi-weerdagen waarvan 18 in april, een record voor deze maand. Tussen mei en september 2007 telde ons land slechts 25 mooie dagen, teleurstellend voor de zomerperiode van vijf maanden. In 2008 was mei een fraaie maand met 14 mooi-weerdagen. Daarna kwamen er tot en met september nog 15 mooie dagen bij zodat het totaal over mei-september uitkwam op 29 mooi-weerdagen. Dat is ongeveer het normale aantal voor deze periode. Inmiddels staat de teller sinds mei 2009 op 21 mooi-weerdagen.

In de periode 1881-1970 bedroeg het aantal mooi weerdagen in De Bilt gemiddeld 36 per jaar, waarvan de helft in de drie zomermaanden. Dit aantal nam toe tot gemiddeld 43 dagen in de periode 1971- 2006. In de afgelopen 20 jaar (1988-2007) bedroeg het aantal gemiddeld zelfs 50 dagen per jaar. De kans op mooi weer is de laatste jaren dus groter geworden.

KNMI

Augustus

Nader Verklaard
De derde maand van de meteorologische zomer is op veel plaatsen in Nederland de warmste van het jaar. In de middag wordt het gewoonlijk zo'n 23 graden, aan de kust is 20 of 21 graden normaal. Met landelijk gemiddeld 60 mm is het de droogste zomermaand.
KNMI

Voorboden van onweer

Nader Verklaard
Onweer wordt vaak al enkele dagen tevoren in de weerberichten aangekondigd, maar tijdens de vakantie zijn we vaak verstoken van radio, tv of krant. Zeker voor de korte termijn kunnen we uit allerlei veranderingen in het weer afleiden dat er onweer op komst is. Als de onweerskansen toenemen kunnen we dat soms al een dag tevoren zien aan de bewolking of merken aan een toename of draaiing van de wind en het zwoelere weer.
Zelfs als er nog nauwelijks bewolking is, kunnen we de veranderingen zien aankomen. Als bijvoorbeeld de strepen van vliegtuigen langzaam oplossen of uitdijen of als de lucht vol raakt met windveren gaat het meestal mis. Opbollende stapelwolken luiden in veel gevallen een weersverandering in, zeker als ook de wind aantrekt en ook de hoeveelheid bewolking toeneemt.

Onweerskansen verraden zich soms al een dag tevoren door wolken die het uiterlijk hebben van een langgerekte bank met opbollende torentjes van kastelen. Soms is die bewolking 's ochtends al te zien waarna de lucht weer helemaal opklaart. Vaak is dat dan maar tijdelijk en ontwikkelen zich in de middag of avond stapelwolken die uitgroeien tot onweersbuien. De kans op onweer is dan ook het grootst. In berggebieden vormen de buienwolken zich meestal eerst bij de toppen, terwijl in het dal de zon nog blijft schijnen.

Bij duisternis zien we het vaak over grote afstanden onweren en horen we ook de donder dan is het onweer niet ver weg. Dan nog kan de bui op veilige afstand langstrekken, maar met name in de bergen is dat moeilijk in te schatten. Bergen ontnemen het zicht en voor u er erg in heeft is het onweer nabij. Bovendien kan de bui mede onder invloed van het gebergte erger worden, doordat de lucht door zo'n berg gedwongen wordt te stijgen. Zo ontstaan de zware regens die bij bergketens honderden millimeters in enkele uren opleveren. Bergstroompjes, die al het water dat in het hele gebied valt moeten verwerken, veranderen dan ineens in brede kolkende stromen.

Wees dus zeker in de bergen extra voorzichtig als onweer dreigt. De buien kunnen plotseling opzetten en vergezeld gaan van heftige verschijnselen als zware regen, hagel, sneeuw en windstoten. Eenmaal in de bergen is het moeilijk een schuilplaats te vinden.

KNMI

Wandelweer Nijmeegse Vierdaagse

Nader Verklaard
Wandelaars die flinke afstanden afleggen en langdurig in de buitenlucht doorbrengen zijn sterk afhankelijk van het weer. Uit onderzoek blijkt dat temperaturen tussen 17 en 20 graden ideaal zijn voor wandelaars van de Nijmeegse Vierdaagse. Bij grote inspanning kunnen zon en hitte, zeker als de lucht vochtig is, tot een onbehaaglijk gevoel, stress of uitputting leiden, maar ook regen en kou zijn natuurlijk niet prettig.

De laatste veertig jaar was het tijdens de hele Vierdaagse slechts vijf keer alle dagen koud met temperaturen tussen 15 en 18 graden. In de meeste gevallen was het normaal Hollands zomerweer: licht wisselvallig met af en toe regen of een bui en ongeveer 21 graden. Extreem warm was het op 21 juli 1995 en 17 juli 2003 toen in Nijmegen tijdens de Vierdaagse 35 graden werd gemeten.

Ook in 1994 moesten de lopers de afstanden afleggen in de felle zon en temperaturen tussen 25 en 30 graden. Dramatisch was 2006 toen het evenement na de eerste wandeldag en voor het eerst in de geschiedenis vanwege de extreme hitte werd afgelast. In die extreem warme juli zijn temperaturen gemeten tussen 35 en 37 graden.

Ook onweer is gevaarlijk. Op 21 juli 1992 werden de Vierdaagse lopers en toeschouwers in de vroege ochtend getroffen door een hevig onweer, dat vooral in de open weilanden een levensgevaarlijke situatie opleverde. In 2007 werd Nijmegen op de finishdag 20 juli getroffen door heftig onweer, waarbij de Vierdaagsestad met 36 mm regen de meeste neerslag kreeg van het hele land.

Uit klimatologische gegevens blijkt dat de Vierdaagse van 1972 in zijn totaliteit de warmste was. Van 18 tot en met 21 juli 1972 noteerde Nijmegen dagelijks temperaturen rond 30 graden en koelde het daar ook 's nachts niet verder af dan 18 tot 20 graden.

In veel jaren was het koeler met regenperiodes of buien. Enkele Vierdaagsedagen vielen volledig in het water met langdurig regen bij temperaturen rond 15 graden. De koudste start beleefden de lopers in 1971: de eerste dag (20 juli) was het 's ochtends maar 8 graden.

KNMI

Onweersverwachtingen

Nader Verklaard
De kans op onweer wordt vaak al enkele dagen tevoren aangekondigd in de meerdaagse verwachting. Op langere termijn is meestal niet aan te geven hoe zwaar het onweer wordt. Ook is dan nog onduidelijk of het slechts lokale buien worden of dat een groot deel van het land ermee te maken krijgt. Wel beschikken de weerkundigen soms over aanwijzingen dat het heftig kan worden. Zodra dat voldoende zeker is wordt dat al in de verwachtingen verwerkt.

Op korte termijn kan preciezer worden aangegeven hoe zwaar de onweersbuien worden. Met behulp van de radar kan de buienactiviteit op de voet worden gevolgd. Op basis hiervan kan het KNMI extra waarschuwingen uitgeven. Zijn de buien zwaar, maar lokaal dan kan voor watersport, kleine scheepvaart en verkeer een waarschuwing worden uitgegeven waarin de gebruiker wordt gewaarschuwd voor (zeer) zware windstoten of overvloedige regen. Zijn het omvangrijke onweersgebieden, ter grootte van minstens een provincie, dan kan een weeralarm uitgaan. Bijvoorbeeld voor zwaar onweer (500 ontladingen per 5 minuten in een gebied minstens ter grootte van 50 bij 50 kilometer of langs lijn van tenminste 50 kilometer lengte), samen met (zeer) zware windstoten, wolkbreuken en hagel of een weeralarm voor zeer zware windstoten als vooral de wind gevaar oplevert.

Zwaar onweer kan optreden bij zeer warm en vochtig weer wanneer aanzienlijk koelere lucht in aantocht is. De kou is dan vaak al op grote hoogte aanwezig zodat er grote temperatuurverschillen optreden. Vooral wanneer het boven in de lucht hard waait kunnen de torenhoge onweerswolken uitgroeien tot zware buien.

KNMI

Drukkend warm

Nader Verklaard
Warm weer kan drukkend aanvoelen wanneer de lucht erg vochtig is. In Nederland komt dat vaak voor in de zomerperiode, vooral wanneer de warmte wordt bedreigd door onweer. De lucht wordt dan geleidelijk vochtiger, waarbij meestal ook de bewolking toeneemt of overheerst.
Vooral wanneer de zon nog weet door te breken kan het in de vochtige atmosfeer voorafgaand aan het onweer zeker voor het gevoel heel warm worden. Drukkend warm wordt dat genoemd wat hetzelfde is als zwoel, benauwd, klam of broeierig. De gevoelsmatige ervaring van de temperatuur is sterk persoonsgebonden en hangt onder meer af van de inspanning die we leveren, de gezondheid, de kleding en de mate waarin we transpireren. Door verdamping van het transpiratievocht zal de huid afkoelen, omdat bij verdamping warmte aan het lichaam wordt onttrokken. Bij temperaturen boven 30 graden komt de warmteafgifte vrijwel uitsluitend tot stand door verdamping.

In vochtige lucht is de verdamping echter veel minder groot dan in droge lucht, waardoor nauwelijks verdampingswarmte aan het lichaam wordt onttrokken. Daardoor zal het bij vochtig en warm weer in de regel drukkend aanvoelen, vooral als er weinig wind is. Wind bevordert de warmteafvoer van de huid en de verdamping, waardoor we het kouder krijgen.

De gevoelstemperatuur wordt ook beïnvloed door de hoeveelheid zonnestraling. Als de zon schijnt kan het ook bij temperaturen van iets onder 20 graden al aangenaam aanvoelen, omdat de straling op de huid in warmte wordt omgezet. Is het bewolkt, rustig en zeer vochtig dan kan het bij een temperatuur van 20 graden al drukkend zijn. De temperatuurbeleving is dus vaak anders dan we zouden verwachten op grond van de stand die de thermometer aangeeft.

KNMI

Juli

Nader Verklaard
Quintilus afgeleid van quinque (vijfde) was de oude Romeinse naam voor juli, de vijfde maand in hun telling. Juli is genoemd naar keizer Julius Ceasar die op de in die maand geboren zou zijn. Hij bepaalde dat het jaar 365 dagen telt met om de 4 jaar een schrikkeldag extra. Juli wordt ook hooimaand, medemaand, vennemaand of dondermaand genoemd.

KNMI

Juli in Nederland

Begin van de zomer

Nader Verklaard
21 juni 2009 - Op zondag 21 juni om 7.45 uur begint volgens de sterrenkundige indeling de zomer van 2009. De zomer duurt dit jaar tot 22 september. De dag waarop de zomer begint is de langste dag van het jaar, die met 16 uur en 45 minuten uur duurt van 5:19 uur tot 22:04 uur (lokale tijd).

De zomer wordt geleidelijk langer om in het jaar 3500 zijn langste duur te bereiken. De zomer begint wanneer de lengte van het midden van de zon precies 90 graden bedraagt, en eindigt wanneer de lengte precies 180 graden is. Van jaar tot jaar zijn er grote verschillen door de een periodieke verandering van de stand van de aardas. Dat komt hoofdzakelijk door de aantrekkingskracht van de maan en storingen van maan en planeten op de beweging van de aarde.

De astronomische seizoensindeling is gebaseerd op de positie van de aarde ten opzichte van de zon. De seizoensverschillen vinden hun oorzaak in de schuine stand van de as waar de aarde om draait. Hierdoor komt de zon op het Noordelijk Halfrond in de zomer hoger boven de horizon dan in de winter en schijnt de zon in de zomer langer dan in andere jaargetijden. In Noord-Europa is het daardoor in deze tijd langer licht dan in Zuid-Europa. Bij de Poolcirkel gaat de zon deze dagen zelfs helemaal niet onder, waardoor een deel van Scandinavië de Middernachtzon beleeft.

Om praktische redenen en volgens internationale afspraak gebruiken de weerkundigen voor het berekenen van klimatologische gemiddelden een andere seizoensindeling. De Societas Meteorologica Palatina, een van de eerste internationale weerorganisaties onder leiding van de Duitse keurvorst Karl Theodor besloot in 1780 om steeds drie opeenvolgende kalendermaanden als één seizoen beschouwd. Volgens de klimatologische indeling is de zomer al op 1 juni begonnen en duurt het seizoen tot met 31 augustus. Voor andere berekeningen wordt ook de warmte in voor- en nazomer, in de maanden mei en september meegerekend.

Vorig jaar was de zomer zeer wisselvallig maar vrij warm. Ook dit jaar is er door de opwarming van de aarde weer een reeële kans dat de zomer warmer wordt dan normaal. Vooral als de wind vaak uit het zuiden komt kan het warm worden. Of ook dat de komende maanden vaak gebeurt is echter niet te voorspellen.

KNMI

Neerslag zeldzaamheid

Nader Verklaard
De kans dat ergens in ons land binnen een bepaalde tijd een hoeveelheid neerslag valt of meer, wordt overschrijdingskans genoemd. De overschrijdingskans geeft aan hoe zeldzaam een gebeurtenis is. De Wet Tegemoetkoming Schade (WTS), die bij uitzonderlijke situaties in werking treedt, is gebaseerd op dergelijke statistieken.

Om de uitzonderlijkheid van een neerslagsituatie te bepalen wordt bekeken hoe lang het regende, hoeveel er is gevallen en hoe zeldzaam dat is. Voor de Wet op Tegemoetkoming Schade moet de neerslagsituatie in het gebied waar de wateroverlast plaatsvindt een zeldzaamheid hebben van eens in de honderd tot tweehonderd jaar.

Bij de bepaling van de duur van de regen, die aanleiding heeft gegeven tot overstromingen, wordt ook rekening gehouden met regen die eerder viel. Ook een deel van dat water moet immers nog afgevoerd worden en vergroot het risico voor overstromingen en overlast. Vervolgens wordt nagegaan hoeveel regen er op een plaats in die bewuste periode viel, waarna wordt nagegaan of zo'n hoeveelheid binnen die tijd voldoet aan het criterium van eens in de honderd tot tweehonderd jaar.

Uit de statistieken van het KNMI blijkt dat een willekeurige plek in ons land eens in de 100 jaar binnen 24 uur een hoeveelheid krijgt van minstens 73 tot 90 mm en binnen 48 uur minstens 86 tot 105 mm. Ook voor geringere hoeveelheden is de herhalingstijd bepaald. Een willekeurige plaats in ons land krijgt gemiddeld vijf keer per jaar minstens 20 en 24 mm binnen een etmaal; een etmaalsom van minstens 26 tot 32 mm komt ongeveer twee keer per jaar voor en eens per tien jaar valt er minstens 50 tot 62 mm op een dag.

De meeste neerslag valt jaarlijks gemiddeld rond Vaals in Zuid-Limburg en op de Veluwe bij Apeldoorn. De kans op zware buien is daar dan ook iets groter dan elders. Ook delen van de provincies Zuid-Holland, Noord-Holland en Utrecht maken meer kans op zware buien met veel neerslag in korte tijd. De jaarsom van de neerslag is hier echter nauwelijks hoger dan in andere delen van het land.

KNMI

Juni

Nader Verklaard
Juni draagt de naam van de Romeinse godin Juno of van de eerste consul van Rome Lucius Junius Brutus. Andere namen zijn Rozenmaand, braakmaand of onweersmaand.

De invloed van het koele zeewater heeft zijn weerslag op de temperatuur aan de kust. De gemiddelde maximumtemperatuur varieert van ongeveer 17 graden aan zee tot 21 graden in het oosten en zuidoosten. Normaal zijn 3 dagen zomers met 25 graden of meer en een enkele dag tropische met 30 graden of meer.
Het kustgebied krijgt de meeste zon: 210 uren tegen 170 uren in het oosten en zuidoosten.
Met landelijk gemiddeld 70 mm is juni tegenwoordig de natste zomermaand.

KNMI

Juni in Nederland

Ringen om zon of maan

Nader Verklaard
In dunne wolkensluiers, waar de zon doorheen schijnt, is vaak een gekleurde ring rond de zon te zien. De ring ontstaat door breking en weerkaatsing van het zonlicht in de ijskristalletjes, waaruit die hoge wolken bestaan. Zo kunnen allerlei ringen, kransen, bogen in verschillende richtingen, lichtzuilen en lichtvlekken (bijzonnen) aan weerszijden van de zon ontstaan met prachtige kleuren. Deze optische verschijnselen die, in mindere mate, ook bij de maan te zien zijn, worden halo's genoemd.

Zeldzaam zij deze verschijnselen niet: gemiddeld om de twee of drie dagen is ergens in Nederland een halo te zien. Vaak gaat het om een kring of lichtvlekken met regenboogachtige kleuren op dezelfde hoogte als de zon. In veel gevallen zijn alleen delen van zo'n kring te zien of maar een bijzon. Toch zijn er maar weinig mensen die het opvalt omdat we meestal niet in de richting van de zon kijken. Dit in tegenstelling tot de regenboog, die aan het donkere gedeelte van de hemel tegenover de zon ontstaat.

Het is overigens zeer gevaarlijk om met het blote oog naar de zon te kijken. Dit kan tot ernstig oogletsel of blindheid leiden. Om dit soort verschijnselen bij de zon te bekijken is het absoluut noodzakelijk om een donkere zonnebril op te zetten en zodanig te gaan staan dat de zon voor de ogen schuil gaat achter een object, bijvoorbeeld een huis of verkeersbord. Om zulke verschijnselen bij de maan te zien zijn dergelijke maatregelen niet nodig.

Verschijnselen als ringen rond zon of maan werden al ver voor de jaartelling opgemerkt. Men zag het vaak als iets onheilspellends en voorbode van stormen of overstromingen. Zo zijn er verschillende weergezegden ontstaan, die ook tegenwoordig nog bekend zijn.

"Een kring om de zon, daar huilen vrouw en kinderen om; een kring om de zon, water in de ton". Zulke volkswijsheden zijn vaak waar: een kring om de zon is een voorteken van slechter weer. De sluierwolken, waarin die kringen te zien zijn, zijn vaak de eerste wolkenvormen die een gebied met slecht weer vooruit stuurt. Binnen een dag na het zichtbaar zijn van zo'n kring, volgt er vaak neerslag, maar zeker is dat niet. Het neerslaggebied kan ook op enige afstand van ons land passeren en dan houden we het, de volksweerkunde ten spijt, gewoon droog.

KNMI

IJsheiligen

Nader Verklaard
De bloeimaand mei is in de volksweerkunde bekend om de IJsheiligen. Het gaat om 11-14 mei, de naamdagen van St. Mamertus, St. Pankratius, St. Servatius en St. Bonifacius. De laatste is niet de bekende Bonifatius, apostel van Duitsland, die in het jaar 754 bij Dokkum werd vermoord. Deze Bonifatius heeft zijn naamdag op 5 juni. De IJsheilige Bonifacius was een Romeins burger die in het jaar 307 stierf tijdens de vervolging van de Christenen onder keizer Diocletianus.

De IJsheiligen danken hun naam aan de kans op nachtvorst. Daarna zou dat gevaar zijn geweken: het kan vriezen in de mei, tot de IJsheiligen zijn voorbij. In de landen noord van de Alpen hebben de IJsheiligen die reputatie. Later in mei is de kans op vorst veel kleiner en in dat opzicht markeren ze een overgangsperiode. Ook in juni kan het vlak boven de grond nog vriezen, de IJsheiligen bieden geen garantie dat de vorst voorbij is.

Ook is het niet juist dat het tijdens de IJsheiligen altijd kouder is dan op andere meidagen. Grote schommelingen in de temperatuur zijn karakteristiek voor het hele voorjaar. Vooral in april, mei en de eerste helft van juni maakt abrupt plaats te voor koud en guur weer.

Zo'n vroege warme periode kan toevallig samenvallen met de IJsheiligen. In De Bilt waren 13 mei 1945 en 14 mei 1943 zelfs tropisch met temperaturen van 30,6 en 30,5 graden. In 1945 duurde de zomerse periode van 9-14 mei en waren 11 en 12 mei met 29 graden bijna tropisch. In 1976 kwam de hitte nog eerder met op 10 mei 32,0 graden in Gemert.

Ook in 1998 hebben de IJsheiligen warmterecords op hun naam geschreven. In de periode 9-15 mei werd het iedere dag warmer dan 25 graden, zeven zomerse meidagen dus. Op 12 mei 1998 noteerde het KNMI met 32,0 graden een nieuw record voor de eerste helft van mei. De dag daarvoor was 30,3 gemeten. Twee tropische dagen na elkaar zijn uniek in deze tijd. Het zuiden had zelfs een serie van drie tropische meidagen met 32,5 graden op 12 mei 1998 in Eindhoven. Op 13 mei 1998 kwam de temperatuur in De Bilt niet lager dan 16,7 graden. Zo'n warme meinacht is uniek.

KNMI

Buien en windstoten

Nader Verklaard
In de weerberichten wordt in de regel onderscheid gemaakt tussen buien en regen. Een enkele bui duurt meestal maar kort, in het algemeen korter dan een uur. Wordt voor langere tijd regen verwacht uit een min of meer gesloten wolkendek of door een clustering van buien dan wordt dat als regen aangekondigd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen af en toe regen of perioden met regen voor het geval het nu en dan droog is, maar het niet opklaart.

Het voornaamste verschil tussen buien en regen is niet alleen dat het af en toe droog is, maar ook dat de zon zich tussen de buien door kan laten zien. Buien onderscheiden zich ook door grotere wisselingen in neerslagintensiteit. In het algemeen zal het uit een buienwolk of bij een clustering van buien minder gelijkmatig en vaak intensiever regenen of sneeuwen dan uit een gesloten wolkendek. Wanneer een gebied met slecht weer overtrekt komt het vaak voor dat het eerst een tijd onafgebroken regent en er daarna buien vallen. Een weerbericht waarin staat: eerst regen, later buien is dus goed mogelijk.

Bij onweersbuien moet u altijd bedacht zijn op plotselinge en heftige verschijnselen zoals windstoten, zware regen of hagel. Bij hevige buien of wanneer zich laat aanzien dat de buien gevaar opleveren voor het verkeer of de watersport worden de windstoten en hagel apart nadrukkelijker in het weerbericht vermeld en soms worden ook extra waarschuwingen gegeven (zie ook Teletekstpagina 710).

KNMI

Mei

Nader Verklaard
Mei is genoemd naar Maja, de godin van wat bloeit en groeit in het voorjaar en van de vruchtbaarheid van de vrouw. De maand wordt daarom ook wel bloei-, bloemen- of Vrouwenmaand genoemd. Het weer is daar deze maand zeker naar met veruit de meeste uren zon en overdag vaak aangename warmte. De nachten zijn nog relatief koel met vorst aan de grond (IJsheiligen). Mei is bovendien een relatief droge maand, maar als de eerste oweders losbarsten valt het water met bakken uit de lucht.

KNMI

Mei in Nederland

Koninginnedag warmer geworden

Nader Verklaard
Koninginnedag_230 april 2009 - Sinds het aantreden van koningin Beatrix in 1980 is 30 april bijna 4 graden warmer geworden. Dat blijkt uit metingen van het KNMI in De Bilt. In de jaren zeventig lag de gemiddelde temperatuur van die dag op 12,7 graden tegen 16,6 graden tegenwoordig.
Tussen 1949 en 1979 was Koninginnedag in De Bilt twee keer een warme dag (hoogste temperatuur van de dag meer dan 20 graden) tegen zes warme dagen tussen 1980 en 2008. Ook schijnt de zon gemiddeld een uurtje langer dan in de jaren zeventig: 5,6 tegen 4,7 uur.

Toch is het weer op de feestdag ook de laatste jaren grillig als vanouds. Koninginnedag 1999 was met 13,8 uur zon in De Bilt een van de zonnigste van de 20e eeuw. Bovendien was de feestdag in 1999 met temperaturen in de middag rond 20 graden zeer aangenaam. Door de geringe relatieve vochtigheid (rond 20 procent) konden de festiviteiten plaatsvinden tegen het decor van een diep blauwe hemel.

In 2000 was Koninginnedag met weinig zon en temperaturen tussen 14 en 18 graden niet zo fraai. Op veel plaatsen vielen flinke regen- en onweersbuien met lokaal 30 mm neerslag. Koninginnedag was in 2002 een grijze dag met vooral in de ochtend geruime tijd regen, veel wind en slechts 13 graden.

Een warme Koninginnedag was het in 2004 toen op 30 april 21 tot 25 graden werd gemeten. De dag eindige met natuurlijk vuurwerk: in de namiddag ontstonden zware onweersbuien met hagel en windstoten die in het zuiden plaatselijk 50 mm opleverden en aanleiding gaven tot wateroverlast.

Koninginnedag 2006, in dat jaar op 29 april, was de koudste sinds 1985. In De Bilt kwam de temperatuur die dag niet hoger dan 11,4 en op 30 april niet hoger dan 11,5 graden. Bovendien vielen er buien, soms met hagel en onweer.

In 2007 was Koninginnedag weer eens vrij warm met temperaturen tussen 15 en 22 graden, in 2008 was het tamelijk wisselvallig met zon en enkele buien en werd de 20 graden vrijwel nergens bereikt.

KNMI

Hooikoorts

Nader Verklaard
Vooral in de maanden mei en juni, maar tegenwoordig ook eerder, hebben mensen die daarvoor allergisch zijn, last van hooikoorts. Hooikoortsverschijnselen, zoals niezen, een jeukend gehemelte, tranende of jeukende ogen en soms lichte benauwdheid, worden veroorzaakt door het inademen van stuifmeel van gras.
Hoe hoger de concentratie stuifmeel of pollen genaamd, hoe meer klachten. De meeste mensen zijn allergisch voor gras dat bloeit tussen mei en augustus. Ook stuifmeel van de berk en de els kunnen voor problemen zorgen.

Ongeveer 5% van de Nederlanders heeft last van hooikoorts. De stuifmeelproductie vindt plaats op zonnige, droge en warme dagen voornamelijk in de ochtend. Op natte dagen met regen, mist of dauw is de hoeveelheid stuifmeel heel gering.

De wind kan het stuifmeel in de lucht verspreiden. Vandaar dat ook de aanvoerrichting van de lucht van groot belang is. Lucht die een lange weg over land heeft afgelegd zal in het algemeen meer stuifmeel bevatten dan lucht die over zee wordt aangevoerd.
De grootste stuifmeelconcentraties worden in ons land dan ook meestal gemeten bij oostelijke wind. Verder landinwaarts zal de lucht ook bij westelijke wind een lange weg over land afleggen. De ernst van de klachten van verder landinwaarts wonende hooikoortspatiënten kan verschillen van kustbewoners.

Van belang voor de verspreiding van het stuifmeel zijn ook de verticale bewegingen in de lucht. Bij een sterke opwaartse stroming kunnen de stuifmeelkorrels tot een paar kilometer hoogte komen, zodat de concentratie bij het aardoppervlak dan iets minder groot is.

Waarschijnlijk spelen meerdere factoren op kleine schaal een rol. Dat neemt niet weg dat de hoeveelheid stuifmeel in de lucht sterk afhankelijk is van het weer.

KNMI

Informatie voor hooikoortspatiënten: klik op 'Pollenverwachting' in de linkerkolom onder Weersites.

Zonkracht

Nader Verklaard
De zonkracht is een maat voor de hoeveelheid ultraviolette straling (UV) in het zonlicht die de aarde bereikt. Het UV-zonlicht neemt toe naarmate de zon hoger staat en varieert met de seizoenen en het moment van de dag. Warmte heeft geen invloed: op een koele zonnige dag kan de zonkracht even sterk of sterker zijn dan op een warme dag.
Wel is de hoeveelheid UV afhankelijk van wolken, vocht of stof in de atmosfeer en van de hoeveelheid ozon. De ozonlaag op grote hoogte in de atmosfeer beschermt het aardoppervlak tegen UV.

De verwachte hoeveelheid UV wordt uitgedrukt in de zonkracht, een UV-index die in ons land kan variëren van 0, wanneer er geen UV is tot 8 voor de maximale hoeveelheid UV-zonlicht. In landen dichter bij de evenaar en in de bergen kan de zonkracht een waarde van 15 of hoger halen.

Bij een lage zonkracht (0-4) verbrandt de huid minder snel dan bij een hoge zonkracht (7 en hoger). De zonkracht hangt ook af van de hoeveelheid bewolking: op een zonnige dag is er meer UV-zonlicht dan wanneer er bewolking is.
Bij zonkracht 7 of 8 is het raadzaam niet langer dan een kwartier onbeschermd te zonnen

Het is raadzaam tussen 12 en 16 uur de zon zo mogelijk te mijden of de schaduw te zoeken. De huid kan volgens KWF Kankerbestrijding het best worden beschermd door het dragen van een pet, zonbeschermende kleding en gebruik van antizonnebrandmiddelen.

De zonkracht-informatie voor Nederland wordt vermeld op NOS-Teletekst pagina 708 en op de website van het KNMI.

KNMI

Ultraviolet zonlicht (UV)

Nader Verklaard
Naast het zichtbare licht straalt de zon ook ultraviolet licht (UV) uit. Dat licht kunnen we niet zien, maar wel voelen. Door veel UV kan de huid rood kleuren of verbranden. Op het KNMI in De Bilt wordt de hoeveelheid UV continu gemeten.

De hoeveelheid UV-zonlicht die de aarde bereikt hangt vooral af van de zonshoogte. 's Zomers, als de zon veel hoger staat dan 's winters, is het UV-licht zeker tien keer zo sterk. In de zomer bereikt de zon het hoogste punt om ongeveer half twee 's middags. Gemiddeld is dan de hoeveelheid UV-zonlicht het grootst.

Ook de hoeveelheid ozon in de atmosfeer is van belang. Dat gas houdt het meeste UV-licht tegen, zodat maar weinig UV de aarde kan bereiken. Het meeste ozon bevindt zich in de ozonlaag. Net als het weer heeft ook de ozonlaag seizoenen: in de lente is deze het dikste en in de herfst het dunst.

Ook het weer heeft invloed. In het algemeen is de ozonlaag in een hogedrukgebied iets dunner dan in de buurt van een lagedrukgebied. Wolken weerkaatsen echter zelf ook licht en daardoor kan de hoeveelheid UV die de aarde bereikt ook bij een half bewolkte hemel sterk variëren. Bij een weertype waarbij de zon af en toe schuil gaat achter een wolk kan meer UV tot de aarde doordringen dan bij een onbewolkte lucht.

Ook vuiligheid en vocht in de lucht kan UV tegenhouden en vooral bij rustig warm weer wanneer zich vuil ophoopt (smog) kan de zonkracht afnemen. Ook onder een parasol nemen we UV op, uiteraard lang niet zoveel dan in de felle zon maar voor sommigen voldoende om bruin te kleuren.

Het UV, dat een mens op de huid krijgt, komt slechts voor de helft direct van de zon, de rest komt, zo blijkt uit metingen door satellieten van de blauwe hemel. Bovendien weerkaatst UV tegen de grond. Dat houdt in dat het UV-licht boven wit zand en water feller is dan elders.

KNMI

Warme dagen

Nader Verklaard
Een dag met een maximumtemperatuur van 20,0 graden of hoger wordt in de weerkunde een warme dag genoemd. Wordt 25,0 graden of hoger bereikt dan is dat een zomerse dag en 30 graden of hoger is een tropische dag.
De eerste warme dag van het jaar valt meestal in april, maar in 1961 en 1990 was dat in De Bilt al op 17 maart het geval. In 1983 werd de grens van 20 graden pas op 31 mei bereikt. In Limburg en Brabant worden deze waarden in het algemeen eerder in het jaar bereikt. In 1920 noteerde Maastricht al op 20 februari ruim 20 graden. In maart wordt in het zuiden regelmatig meer dan 20 graden gemeten, in sommige jaren in die maand zelfs op drie dagen.

April telt normaal (gemiddeld over 1971-2000) 2 dagen met 20,0 graden of hoger. In een uitzonderlijke april kan dat aantal tot 7 warme dagen oplopen. Heel bijzonder was de recordwarme april 2007, toen de temperatuur op veel plaatsen op 14 dagen tot meer dan 20 graden en op 8 dagen tot boven de 25 graden opliep.

In 1995 was 24 april in De Bilt de eerste warme dag van het jaar. Die dag was het met 25.8 graden gelijk zomer. Slechts vier keer sinds 1901 was de eerste warme dag ook een zomerse dag.

Vrijdag 3 april was dit jaar de eerste warme dag van het jaar. In Twente werd ruim 23 graden gemeten. Dat is heel uitzonderlijk voor begin april: normaal is een middagtemperatuur van 11 graden. Vorig jaar liet de warmte veel langer op zich wachten: op 20 april werd het in De Bilt voor het eerst meer dan 15 graden en 26 april jaar was in 2008 de eerste warme dag van de in totaal 95 warme dagen.

KNMI

Aprilwarmte

Nader Verklaard
De maand april staat bekend om het grillige weer, maar soms kan het al zeer warm worden. Zo werd op 21 april 1968 in Venlo een temperatuur gemeten van 32,2 graden, de vroegste tropische dag van het land. De Bilt noteerde op 15 april 2007 met 28,9 graden de warmste dag van de meetreeks.

Landelijk noteerde Westdorpe met 29,7 graden de hoogste temperatuur voor de tweede decade van april. De hoogste temperatuur in de eerste decade (1-10) van april is 27,4 graden gemeten op 3 april 1926 in Maastricht.

Een zomerse dag met een maximumtemperatuur van 25,0 graden of hoger is in april uitzonderlijk. In De Bilt levert april gemiddeld eens in de tien jaar een dag met zomerse warmte op. Uniek was april 2007 met in De Bilt zeven zomerse dagen en op 14 april de vroegste zomerse dag ooit. Ook april 1993 eindigde zomers. Het zuiden boekte toen vier zomerse dagen. Warme dagen met 20,0 graden of hoger zijn minder uitzonderlijk: normaal (gemiddeld over 1971-2000) telt april 2 warme dagen. In april 2007 liep dat aantal op tot 14 warme dagen.

Op warme dagen in het voorjaar koelt het 's avonds en 's nachts door sterke uitstraling in de regel sterk af. Het verschil tussen de maximum- en minimumtemperatuur, de dagelijkse gang, kan dan heel groot zijn. Op sommige dagen in maart of april kan het 's nachts 20 graden kouder zijn dan overdag. Bijzonder was april 1996: in Nieuw Beertha wees de thermometer op 15 april 's ochtends -5 graden, maar 's middags +16 graden. De week daarvoor, op Paaszondag, was er ook een temperatuurverschil van 21 graden tussen ochtend en middag voorgekomen.

April 2007 was met 13,1 graden de warmste in drie eeuwen, gevolgd door april 1993 (11.1 graden) als de twee warmste grasmaanden in De Bilt. In de vroege zomer die de laatste dagen van die maand beheerste bleef het ook ’s nachts zwoel. In De Bilt kwam de temperatuur op 30 april 1993 niet lager dan 13,9 graden. Met 26,9 graden was dat ook de warmste Koninginnedag.

KNMI

Thermometer

Galileo_galilei_6Nader Verklaard
De thermometer is eind 16e eeuw in Italië uitgevonden door Galileo Galilei. Het duurde ruim een eeuw voordat een goede schaalverdeling werd ingevoerd. De thermometers waren eerst gevuld met water en later met alcohol en werden toen nog aangeduid als thermoscoop. Die instrumenten waren niet zo betrouwbaar. Gabriël Fahrenheit (1686-1736) maakte indertijd in Amsterdam de eerste betrouwbare thermometers ter wereld. Hij gebruikte kwik en de glazen buis sloot hij aan de bovenkant af, zodat zijn thermometer niet reageerde op luchtdrukveranderingen. Getallen met een minteken waren in zijn tijd ongebruikelijk en daarom zette hij 0° bij de laagste temperatuur die hij bereikte in een mengsel van ijs, zout en salmiak. Het vriespunt en kookpunt van water zijn de andere vaste punten van de Fahrenheit-schaal.

De Zweedse natuurkundige Anders Celsius (1701-1741) zette op zijn thermometer 0° bij het kookpunt en 100° bij het vriespunt van water. Zijn opvolger, de Zweedse astronoom Strömer, draaide de getallen om en plaatste 0° bij het vriespunt en 100° het kookpunt van water. Om verwarring te voorkomen is men die verdeling de schaal van Celsius blijven noemen.

KNMI

Zeevlam of zeemist

Nader Verklaard
Warme lucht die over een koud wateroppervlak stroomt kan zodanig afkoelen dat zich mist vormt. Zo kan boven zee gemakkelijk mist ontstaan. Een zeewind, die op warme dagen in het voorjaar of de voorzomer, wanneer de zee nog relatief koud is, vaak langs onze kust optreedt, kan die mist of lage wolken plotseling landinwaarts brengen. Dit tot groot ongenoegen van strandgangers die de zon dan plotseling zien verdwijnen terwijl de temperatuur soms met meer dan 10 graden in korte tijd daalt. Dat verschijnsel waarbij een zeewind, mist van zee landinwaarts transporteert, wordt van oudsher zeevlam genoemd. Die benaming is waarschijnlijk afkomstig van zeelieden die de mistflarden tijdens poollicht boven zee heel goed konden waarnemen en dachten dat de zee in brand stond. Men dacht vroeger dat de vanuit zee opkomende mist, die lijkt op rook van een brand op zee, alle bloesems, bladeren en grasscheuten in het kustgebied zou verschroeien. 

KNMI

April

Nader Verklaard
April is afgeleid van Aprilis afgeleid van aperire (openen of ontluiken) en apricus (zonnig). De naam zou ook kunnen slaan op Aphrodite, de Griekse godin van vruchtbaarheid, schoonheid en liefde. Het vee verlaat de stallen en gaat weer naar de wei, vandaar de bijnaam grasmaand. Ook wordt april aangeduid als Paasmaand, Oostermaand (naar Ostara, godin van groei en bloei) of Eiermaand. Weerkundig is het een overgangsmaand met winterse en zomerse trekjes: april doet wat hij wil.

De gemiddelde temperatuur varieert van 7,5 graden in het noordwesten tot 8,5 in de zuidelijke helft, terwijl de uitersten liggen tussen bijna -10 en ruim +30 graden!

KNMI

April in Nederland

Begin van de lente

Nader Verklaard
Vandaag om 12.44 uur begint de astronomische lente: de zon staat dan precies boven de evenaar. Die begindatum valt niet altijd op de 21e van de maand, zoals vaak wordt gedacht. Sterker nog, de komende decennia begint de astronomische lente vrijwel ieder jaar op 20 maart.
De seizoensindeling is gebaseerd op de stand van de aarde ten opzichte van de zon. De seizoensverschillen vinden hun oorzaak in de schuine stand van de as waar de aarde om draait. Hierdoor komt de zon op het noordelijk halfrond in de zomer hoger boven de horizon dan in de winter. De zon schijnt in de zomer dan ook langer dan in de winter.

Dag en nacht duren op de eerste lentedag overal ter wereld even lang, maar niet exact. In ons land duurt de dag waarop de lente begint alweer ongeveer 10 minuten langer dan de nacht.

Verschillen die het gevolg zijn van het feit dat de tijdstippen van opkomst en ondergang van de zon betrekking hebben op de bovenrand van de zon. Bovendien is de zon door breking van stralen in de atmosfeer nog kort zichtbaar terwijl zij in werkelijkheid al onder is.

Als de luchttemperatuur direct en alleen op de zon zou reageren zou 21 juni, de langste dag, ook de warmste moeten zijn. Die dag zou dan midden in de zomer moeten vallen. In werkelijkheid loopt de temperatuur langzamer op. Dat komt door de invloed van oceanen en zeeën. De opwarming van zeewater door de zon gaat langzamer dan de opwarming van land.

Onder invloed van het nog koude water van de Noordzee begint aan de kust het warmere seizoen later dan in het binnenland. Als de seizoensindeling alleen zou afhangen van de temperatuur, dan blijkt dat de lente in Zuid-Limburg gemiddeld al op 9 maart begint en op Terschelling pas op 23 maart.

Om praktische redenen gebruiken de weerkundigen een andere seizoensindeling. De Societas Meteorologica Palatina, een van de eerste internationale weerorganisaties besloot in 1780 om drie kalendermaanden als één seizoen te beschouwen.

Volgens de klimatologische indeling is de lente dus al begonnen op 1 maart en duurt dit seizoen tot en met 31 mei. Zo kunnen seizoenen beter met elkaar vergeleken worden.

KNMI

Vorst aan de grond

Nader Verklaard
De temperatuur wordt op weerstations gewoonlijk op 1,5 meter boven een grasvlakte gemeten. Vlak boven de grond kan het temperatuurverloop echter anders zijn. Tijdens een windstille en heldere nacht koelt het daar sterker af. Voorwerpen op het aardoppervlak en ook bomen, struiken, bladeren en grassprietjes zenden voortdurend straling uit en verliezen onder die omstandigheden snel warmte.
Wanneer de temperatuur op 10 cm hoogte boven gras tot onder het vriespunt daalt, wordt dat aangekondigd als 'vorst aan de grond'. Dit staat ook wel bekend als nachtvorst, zoals dat vroeger voor werd genoemd.
Bij vorst aan de grond bevriest de waterdamp. De bevroren druppeltjes zijn als een witte aanslag (rijp) te zien. Bijvoorbeeld op gras, lage struiken, houten hekjes of auto's.

Voor de land- en tuinbouw is het van belang te weten of de temperatuur bij het aardoppervlak onder nul komt. Door maatregelen, zoals beregening, kan veel schade aan gewassen worden voorkomen. Vooral voor gewassen die net in bloei staan, kan de vorst funest zijn.

Of het vlak bij de grond ook werkelijk tot vorst komt, hangt af van verschillende factoren. Windbeschutte plaatsen zijn er in het algemeen het gevoeligst voor. Ook van belang zijn bodemgesteldheid, begroeiing en verschillen in hoogte. Fruittelers ondervinden in de dalen van Zuid-Limburg meer last van vorst dan de grond op de plateaus.

Vorst aan de grond komt in de winter in De Bilt gewoonlijk op 15 of 16 dagen per maand voor. In maart op 14 dagen, in april op 11 dagen en in mei op 3 dagen. Ook in de zomer komt het soms tot vorst aan de grond maar augustus heeft het in De Bilt nog nooit gevroren.

KNMI

Zonneschijnmetingen

Nader Verklaard
Pyranometer_sr11_hukseflux_3In het weerbericht is het voor veel mensen belangrijke informatie: breekt de zon er nog door of hoe lang blijft de zon schijnen? Maar ook voor de bepaling van het klimaat en bijvoorbeeld recreatie en landbouw is het van belang hoe vaak de zon schijnt. Op weerstations wordt dat dagelijks gemeten. Tegenwoordig wordt die informatie afgeleid uit de totale hoeveelheid straling, de zogenoemde globale straling.

Om dat te meten wordt een pyranometer gebruikt, waarmee door middel van sensoren wordt gemeten. Een half glazen bolletje dient als kapje om de sensor tegen vocht en neerslag te beschermen. De pyranometer meet de globale straling in Joules per vierkante meter. Hieruit wordt de duur van de zonneschijn berekend. Op advies van de Wereld Meteorologische Organisatie is het KNMI in 1992 overgegaan op deze methode.

Campbell_stokes_zonneschijnmeterVoor die tijd werd de zon gemeten met een Campbell-Stokes zonneschijnmeter. In 1853 bedacht de Engelsman John Campbell dit registrerende instrument. Dat zou ruim een eeuw dienst doen. De Ierse natuurkundige George Stokes bracht verbeteringen aan.
Het Engels observatorium in Kew begon er in 1880 als eerste de zonneschijnduur mee te meten. In 1980 werd dat station opgeheven zodat de langste meetreeks een eeuw bestrijkt.

De Bilt beschikt over metingen met de Campbell-Stokes tussen 1901 en 1992. Het instrument bestaat uit een glazen bol die als brandglas werkt. Achter de bol was een papieren strook gespannen met een indeling in uren. De "bewegende" zon brandde in die papierstrook een brandspoor. Zodra er wolken voor de zon kwamen werd dat spoor onderbroken. Uit de totale lengte van het brandspoor kon de duur van de zon worden ingeschat.
De Campbell-Stokes had echter nadelen. De glazen bol moest schoon blijven en ook dauw kon voor afwijkingen zorgen. Bovendien werden de stroken stuk voor stuk handmatig door zoveel mogelijk dezelfde medewerker uitgelezen. Nu wordt dus een andere meetmethode gehanteerd, maar dat betekent wel dat de huidige metingen niet zomaar vergelijkbaar zijn.

In De Bilt is de zon de afgelopen jaren ook nog op de oude manier gemeten om de gegevens te vergelijken.

KNMI

Lentevariaties

Nader Verklaard
Vooral in het voorjaar wordt het weer gekenmerkt door grote tegenstellingen. Na enkele dagen met zon en warmte kan het opeens veel kouder worden. Soms is het temperatuurverschil van de ene op de andere dag meer dan 10 graden, komt het 's nachts weer tot vorst en vallen er sneeuwbuien. Wind en wolken maken het overdag extra onaangenaam en als er ook buien vallen is het ronduit guur weer.
De oorzaak van die grote contrasten ligt in het gegeven dat het vasteland in de krachtige zon snel warmer wordt, maar de lucht in de poolstreken en in besneeuwde delen van het vasteland nog lang koud blijft. De koude poollucht stroomt soms naar het zuiden en dan lijkt de winter hier weer even helemaal terug. In ons land maakt de nabijheid van de zee het nog onaangenaam door bewolking die in die vochtige omgeving ontstaat. Met een wind uit west tot noord drijven de wolkenvelden landinwaarts. De draaiing van de wind brengt meteen aan de kust afkoeling omdat het zeewater veel kouder is dan het opgewarmde land.

De ergste kou volgt echter meestal dieper landinwaarts, in het midden en oosten van Europa. In het grensgebied met de verdreven warme lucht zijn sneeuwjachten na zomerse warmte geen uitzondering. Maar ook in West-Europa kunnen hagel- en sneeuwbuien nog tot in mei voor overlast zorgen, vooral in heuvelachtige gebieden. In de koude lucht kan het tijdens de heldere nacht bovendien flink afkoelen en dan is vorst aan de grond geen uitzondering.

De weersomslagen zijn zo abrupt en opmerkelijk dat er in de volksmond allerlei benamingen voor bestaan: "april doet wat hij wil", "IJsheiligen" (11-14 mei), "Schaapscheerderskoude" (5-20 juni) en "Kälterückfälle in Duitsland. De "IJsheiligen" worden gevreesd voor de schade die "vorst aan de grond" in die tijd van het jaar kan aanrichten; de "Schaapscheerderskoude lijkt op een herhaling van de IJsheiligen, maar dan met minder lage temperaturen. De markante weersomslagen zijn echter niet aan data gebonden, maar komen willekeurig verspreid in het hele voorjaar voor. Pas wanneer het in juni ook in de poolstreken niet meer vriest komt er een einde aan de invasies van koude lucht.

KNMI  met dank aan Jan van der Horst

Molenwind

Nader Verklaard
De eerste windmeters stammen uit het eind van de 19e eeuw, maar ook van de eeuwen daarvoor zijn er gegevens over het windklimaat. Zeevarenden hielden precies bij hoeveel zeil ze moesten voeren en bepaalden op basis daarvan de sterkte van de wind.
De wind werd ook geschat uit fluittonen of de hoogte van de golven. De scheepsjournalen uit de zeventiende eeuw van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) zijn een bron van historische windgegevens.

De Engelse Royal Society, die begon met de coördinatie van waarnemingen, werkte met een vereenvoudigde windschaal van de Engelse schrijver Daniel Defoe. Hij is bekend om zijn boek over zeeman Robinson Crusoe (1719).
Dergelijke windschalen konden alleen boven zee worden gehanteerd. Boven ons land werd de wind afgeleid uit de wieken van molens. Dat was een vondst van Jan Noppen (1706-1734), een befaamd opziener van de waterstaat. Ambtshalve hield hij zich op Huize Swanenburgh in Halfweg bij Amsterdam bezig met het bijhouden van het weer en was daarmee een voorloper van het KNMI.
Noppen introduceerde een 17-delige molenwindschaal: windkracht 8 volgens de huidige schaal van Beaufort komt overeen met 13 of 14 aan molenwind volgens Noppen. Van belang was de hoeveelheid zeil op de wieken: hoe harder het woei, hoe meer zeil opgerold (gezwicht) werd.
Vanaf windkracht 8, een stormachtige wind volgens Beaufort, hebben de wieken geen zeil. Waait het nog harder (storm, windkracht 9 in Beaufort) dan is malen te gevaarlijk.

Later zijn vereenvoudigde versies van de molenwindschaal gebruikt en zo gebruikte waarnemer Pieter de Leeuw in 1809 een gecombineerde 9-delige schaal waarin het effect van de wind op zeilschepen en op molens was beschreven.

Tegenwoordig wordt de windkracht uitgedrukt in Beaufort, een Ierse admiraal die windsterkte baseerde op de hoeveelheid zeil van een groot schip. Hij bedacht een 13-delige schaal, windkracht 0 is windstil, windkracht 9 is storm en windkracht 12 is orkaan.

Klimaatonderzoekers hebben veel belangstelling voor de historische meetgegevens omdat ze een indruk kunnen geven van het klimaat van eeuwen geleden. Op basis daarvan is vastgesteld dat het klimaat, zeker temperatuur en neerslag, de laatste decennia is veranderd. Het windklimaat blijkt, zover is onderzocht, in grote lijnen nauwelijks veranderingen te vertonen.

KNMI

Late lente

Nader Verklaard
Door de koudere winter komt de natuur dit voorjaar maar langzaam op gang. Planten als speenkruid, gele kornoelje en sleedoorn liggen gemiddeld anderhalve maand achter op de ontwikkeling van vorig voorjaar. Vlinders hebben zich nog nauwelijks laten zien. Vorig jaar begon het voorjaar in de natuur vooral door het zachte weer in februari veel eerder.
Dat blijkt uit berekeningen van Wageningen Universiteit in het kader van de Natuurkalender. In samenwerking met de Vlinderstichting is een model voor planten en vlinders ontwikkeld. Dat model berekent wanneer de eerste waarnemingen van bloei en bladontplooiing van planten en bomen worden verwacht en wanneer bepaalde vlinders gaan vliegen.

De verwachtingen zijn gebaseerd op tienduizenden historische waarnemingen en berekeningen van het waargenomen weer en de verwachtingen. Door de opwarming van de laatste decennia en de zachte winters ontwaakte de lente in de natuur de laatste jaren opmerkelijk vroeg.

De gemiddelde bloeidatum is zo’n drie tot vier weken vervroegd ten opzichte van de periode 1975- 1988. In het warmere broeikasklimaat blijft de vertrouwde grilligheid van het weer echter behouden en kan het soms dus ook weer koud zijn. Koude extremen worden waarschijnlijk wel minder in aantal maar zijn door de grotere zeldzaamheid des te opvallender.

Ook in ver vervlogen tijden was de lente soms heel laat zeker in de Kleine IJstijd, die zijn hoogtepunt bereikte in de zestiende en zeventiende eeuw. Legendarisch was de voorjaarskou in 1667 toen de koudegolf tot midden april aanhield en het weer in mei aan Kerstmis deed denken. I

In de tweede helft van maart lag er nog zoveel ijs dat men met paarden de Zaan op ging. Eind maart lag de Zuiderzee nog dicht. In Duitsland vriezen de Elbe, Weser en andere rivieren in maart weer dicht en er valt volop sneeuw bij harde wind.

Ook in 1670 staan onze voorouders begin april nog op de schaats en half april heeft het scheepvaartverkeer nog last van het ijs. Uniek was ook de extreem koude lente van 1740, die volgde op een van de ijzigste winters ooit.

De trekvaart tussen Haarlem en Leiden lag 80 dagen stil door het ijs. Op 13 maart rijdt men nog met wagens en sleden over de Zuiderzee, het ijs heeft ene dikte van naar schatting 50 tot 60 cm De temperatuur komt in maart nauwelijks boven de 5 graden en zelfs in mei sneeuwt het nog (zie ook verder lezen- natuurkalender).

KNMI

Windmetingen

Nader Verklaard
Robinsons_cup_anemometer_2De wind wordt gemeten op een mast met een cup-anemometer. Dit instrument werd in 1846 geïntroduceerd door de Ierse astronoom Thomas Romney Robinson (1792-1882). Het is een ronddraaiend molentje met drie of vier halve bollen (cups) die met stangetjes aan een draaibare as zijn bevestigd.
De halve bollen zijn van binnen hol. De wind oefent op de holle zijde meer kracht uit dan aan de bolle kant, waardoor het molentje doorde wind in beweging komt. De snelheid van de draaiende bollen, die in een elektrisch signaal wordt omgezet, is een maat voor de windsnelheid.

Op voorschrift van de Wereld Meteorologische Organisatie worden windmeters op weerstations geplaatst in een open terrein op een mast van 10 meter hoogte. In een volgebouwd land als Nederland wordt het steeds moeilijker om geschikte meetlocaties te vinden.

Om storende invloeden van gebouwen of bomen te beperken worden de meters soms hoger geplaatst. Zo staat de windmeter in De Bilt op 20 meter hoogte. Met formules wordt de meting omgerekend naar 10 meter hoogte, zodat de gegevens vergelijkbaar zijn.

Ook is er in de loop der jaren veel veranderd aan het meetnet, waardoor windgegevens uit de eerste helft van de 20e eeuw niet vergelijkbaar zijn met die van later datum. Tegenwoordig geven automatische weerstations continu (digitaal) informatie over de wind.

Zo kan het KNMI nauwkeurig bepalen hoe hard het in ons land heeft gewaaid. De wind wordt bepaald over periodes van 10 minuten.

Wanneer in het weerbericht wordt gesproken over windkracht 8 dan wordt verwacht dat de windsnelheid gemiddeld over 10 minuten tussen 17,2 en 20,7 m/seconde (62-74 km/uur) ligt. Zo hoort bij elk van de dertien klassenummers volgens de schaal Beaufort een gemiddelde.

In de scheepvaart werkt men met knopen: één knoop komt overeen met 0,5144 m/seconde. Actuele informatie bij storm gaat over het 10 minuut-gemiddelde of kortdurende windstoten.

Gegevens die tijdens een storm worden gemeld zijn voorlopig; achteraf moeten vaak correcties worden toegepast. Wanneer een windstoot bijvoorbeeld sterk afwijkt van het gemiddelde wordt de waarde als verdacht gekenmerkt en nader onderzocht.

Voor klimatologische statistieken en vergelijking van stormen wordt gebruik gemaakt van uurgemiddelden. Klimatologen spreken van een zware storm wanneer de windsnelheid ergens boven land een uurgemiddelde haalt van windkracht 10, dat wil zeggen tussen 24,5 en 28,4 m/seconde (89-102 km/uur).

Ligt de windsnelheid gemiddeld over een uur tussen 28,5 en 32,6 meter/seconde (103-117 km/uur) dan wordt de storm achteraf geboekt als een zeer zware storm en boven 32,6 m/seconde (118 km/uur) als orkaan.

KNMI

Maart

Nader Verklaard
In de volksmond wordt maart thor- of dondermaand genoemd naar de Germaanse God van donder en oorlog, Thor of Donar. Het buiige weer dat karakteristiek is voor het voorjaar bezorgt maart ook de naam buienmaand. Door de grotere daglengte neemt het aantal zonuren sterk toe van gemiddeld 78 in februari tot 112 in maart. De gemiddelde temperatuur loopt snel op van 4 graden in het begin tot 7 graden aan het einde van de maand. In de eerste helft van de maand kan het echter nog flink winteren, maar zeker in de tweede helft van de maand kan het voorjaarsachtig zijn. In overgangsmaand maart kan het ook nog flink stormen.

KNMI

Maart in Nederland

Alpensneeuw

Nader Verklaard
Het Alpengebied heeft deze winter geen gebrek aan sneeuw. In december viel uitzonderlijk veel. Oostenrijk kreeg op enkele plaatsen binnen 48 uur 100 tot 115 cm, hoeveelheden die eens in de 50 tot 80 jaar omlaag komen. Deze week raakten gebieden  opnieuw van de buitenwereld afgesloten. In 24 uur viel  ongeveer en halve meter.

Ook in de winters van 2006 en 2007 viel er soms veel in korte tijd waardoor tal van lawines op gang kwamen. De zwaarste Alpensneeuw van de laatste decennia dateert uit 1999. Volgens de lawinediensten kwamen er toen meer dan duizend lawines naar beneden. 

Verschillende plaatsen hadden in zeker vijftig jaar niet zoveel gehad. Op de Säntis (2500 meter) in Zwitserland lag in 1999 half februari 735 cm, waarmee het februarirecord (660 cm in 1970) werd overtroffen. In april 1999 lag hier zelfs 785 cm, een nieuw absoluut record. Het vorige record was 740 cm in maart 1970.

Het sneeuw- en wintersportseizoen begint soms al in november en duurt in het Alpengebied tot ver in het voorjaar. Het aantal dagen met een sneeuwdek is afhankelijk van de ligging van het gebergte en de hoeveelheid zon op de helling.

Boven de 2500 meter hoogte maakt dat vrijwel geen verschil en ligt permanent sneeuw en boven 3000 meter valt alle neerslag, ook in de zomer in vaste vorm. Op de Säntis begint de periode met een blijvend sneeuwdek al in oktober en pas in de zomer verdwijnt hier de sneeuw, gemiddeld eind juni.

Op het Zwitsers plateau, het gebied tussen de Jura en de Alpen en het Meer van Genève, is gemiddeld echter sprake van een sterke afname van het aantal dagen met een sneeuwdek. De neerslag viel vaker in de als regen en in het Alpengebied en de Duitse middelgebergten is een afname vastgesteld in de totale hoeveelheid sneeuw.

Sneeuwstatistieken laten echter te wensen over omdat de meetreeksen nog maar kort zijn, de meeste niet langer dan hooguit honderd jaar. Bovendien variëren de hoeveelheden van jaar tot jaar heel sterk en treden ook lokaal grote verschillen op.

Uit onderzoek op de Hohenpeissenberg (977 meter) in het zuiden van Duitsland blijkt dat de gemiddelde hoeveelheid in de tweede helft van de vorige eeuw is afgenomen, van gemiddeld 295 cm in de jaren zestig tot 213 cm halverwege jaren negentig. In het Zwitserse Bern is het aantal sneeuwdagen met minstens een centimeter sinds het eind jaren van de jaren tachtig een stuk minder groot.

De laatste jaren brachten soms weer veel sneeuw. Hoewel nog veel onderzoek nodig is naar regionale klimaatveranderingen gaan de wetenschappers ervan uit dat de opwarming in deze eeuw doorzet en de neerslag toeneemt. De hoogte van de sneeuwgrens schuift echter bergopwaarts, met 100 tot 150 meter per graad opwarming.

KNMI

Lawine

Law_sneeuwverwachting_nl_2Nader Verklaard
Als er veel sneeuw ligt in de bergen kan dat onder verschillende omstandigheden, zowel bij dooi als vorst, lawinegevaar opleveren. Een lawine kan verschillende oorzaken hebben. Als er een warme wind opsteekt zal vooral bij zonnig weer de bovenste laag van de sneeuw smelten en kan het sneeuwdek gaan glijden. Ook verse sneeuw die op een bevroren oude sneeuwlaag valt kan sneeuwverschuivingen veroorzaken. Veel sneeuwlawines doen zich voor bij vorst en harde wind. Hevige sneeuwval kan bij lage temperaturen aanleiding geven tot lawines van poedersneeuw, waarbij een dichte wolk van sneeuw met zeer grote snelheden van soms 200 tot 300 kilometer per uur omlaag komt. Skiërs kunnen dergelijke lawines zelfs op gang brengen door het veroorzaken van lichte trillingen. De vernietigende kracht van zo'n dichte sneeuwwolk is enorm vooral door de luchtverplaatsing die eraan voorafgaat.

KNMI

Bosbranden en weer

Nader Verklaard
Bosbranden_australi17 februari 2009 - In het door hitte en droogte getroffen zuidoosten van Australië is na anderhalve maand eindelijk gaan regenen. De bosbranden van de afgelopen weken met meer dan 200 doden waren de ergste in de geschiedenis van het land.

In de zomerperiode is het zeker bij droog weer van het grootste belang voorzichtig te zijn met vuur in de natuur. Een enkele vonk kan al een gevaarlijke brand ontketenen. Het gevaar voor bos- en heidebranden hangt sterk samen met het weer.

Als er lange tijd weinig of geen regen valt en het een aantal dagen warm is droogt de natuur uit en kan gemakkelijk brand ontstaan. Vooral een onstabiele atmosfeer met sterke omhooggerichte winden (thermiek) kunnen de branden heftig worden. Ook blikseminslagen kunnen brand veroorzaken: in het noorden van de Verenigde Staten wordt bijna de helft van de bosbranden verzaakt door de bliksem.

De wind, waarmee zuurstof wordt aangevoerd, kan de vuurhaarden aanwakkeren en snel in een bepaalde richting verspreiden. Vooral droge oostenwinden worden gevreesd. Het vuur kan zich daardoor met snelheden van 25 km/uur verspreiden.

In gebieden met bergen en zee, zoals in Frankrijk, Portugal, Australië en Californië kunnen lokale winden van zee of van de hellingen zorgen voor een grillige verspreiding van vuurhaarden. In de Verenigde Staten worden dergelijke winden, die vergelijkbaar zijn met de Föhn, de Santa Ana genoemd of hot winds. In brandende gebieden kunnen soms vuurhozen ontstaan, vergelijkbaar met wind- of stofhoosjes.

Vooral het zuiden van Europa heeft de laatste jaren steeds meer te maken gekregen met grote bos- en heidebranden. Als er in de winter, wat daar het regenseizoen is, te weinig neerslag valt, droogt de natuur door de warmte in de loop van het voorjaar snel verder uit. De verandering van het klimaat leidt in het gebied van de Middellandse Zee tot een verdere verdroging en daarmee een toenemend gevaar van bosbranden. 

Verschillende nationale weerinstituten zijn daarom begonnen met het geven van waarschuwingen voor bosbrandgevaar. Internationaal worden vijf waarschuwingsfasen onderscheiden. Bij fase 1 is het risico voor bosbranden zeer gering, bij fase 2 gering, fase 3 staat voor matig gevaar, fase 4 voor groot en fase 5 voor zeer groot gevaar.

In ons land is de brandweer verantwoordelijk voor het geven van brandwaarschuwingen. Voor het inschatten van het brandgevaar worden modelberekeningen uitgevoerd waarbij verschillende meteorologische gegevens worden gebruikt. Satellieten zijn goed in staat om de branden in kaart te brengen, zodat ze zo effectief mogelijk bestreden kunnen worden.

KNMI

Sneeuw in Engeland

Nader Verklaard
Het zuidoosten van Engeland heeft deze winter te maken met de zwaarste sneeuwval van de laatste decennia. In het centrum van Londen lag circa 22 cm, in het zuidoosten lokaal 30 cm. Dat is uitzonderlijk veel voor dit dichtstbevolkte deel van het Verenigd Koninkrijk. Ook in andere delen van Engeland sneeuwt het flink. De gevolgen zijn dan ook groot: op veel plaatsen is het verkeer volledig tot stilstand gekomen.

Het zuidoosten van Engeland heeft ongeveer net zo’n sneeuwklimaat als ons land maar in de rest van het land sneeuwt het vaker. In de heuvelachtige gebieden en zeker in het Schotse bergland komen de temperaturen veel vaker onder nul. In Wales en de Midlands levert iedere 100 meter stijging tot een hoogte van 400 meter ongeveer vijf extra sneeuwdagen op. In het noorden Schotland is dat verschil nog groter en komen er bij 100 meter stijging zeventien sneeuwdagen bij. Op een hoogte van 800 meter ligt er vier keer zo vaak sneeuw dan op zeeniveau.

Het zuiden telt jaarlijks gemiddeld zo’n 10 tot 20 sneeuwdagen, het noorden telt doorgaans 40 tot 70 dagen waarop het sneeuwt. Hier sneeuwt het ook midden in de zomer soms nog. Heel bijzonder was de sneeuwval van 2 juni 1975 toen aan de vooravond van een van de warmste zomers uit de geschiedenis Endinburgh en Birmingham bedekt werden door een sneeuwlaag.
Extreme sneeuwval doet zich in Engeland voor als een actieve depressie over het zuiden of ten zuiden langstrekt en bij een sterke oostenwind. De buien activeren dan in de koude vrieslucht boven de Noordzee en zorgen vooral in het oosten voor sneeuw. Een dergelijke sneeuwsituatie die samenhangt met aanvoer van koude lucht over zee kan zich in ons land ook bij de Waddeneilanden voordoen.

De sneeuwsituatie van 2009 is voor de Londenaren op twee na de ergste in de recente geschiedenis. Nog erger was het in de winter van 1963 met 33 cm in de hoofdstad en in 1982 met 28 cm. Voor de hele zuidoostelijke regio is het de zwaarste sneeuwval sinds februari 1991, toen in Yorkshire plaatselijk een halve meter sneeuw lag.

KNMI

Februari

Nader Verklaard
Februari is de schrikkelmaand door de (extra) schrikkeldag die sinds de kalenderhervorming door Julius Caesar in 46 v. Chr eens in de vier jaar werd toegevoegd. Bovendien is dit de maand waarin de wijngaarden worden gesnoeid, de sprokkelmaand. In Nederland is het de maand met de koudste nachten: als de dagen lengen, gaan de nachten strengen. Het toenemend aantal zonuren is overdag echter al goed merkbaar aan de temperatuur.

KNMI

Februari in Nederland

Kruiend ijs

Nader Verklaard
Kruiend_ijs_2_3Een flinke vorstperiode wordt, als het hard waait, steevast gevolgd door kruiend ijs. Boven meren of andere grote wateroppervlakken, zoals het IJsselmeer of de Waddenzee, krijgt de wind vat op de enorme ijsvelden, die dan in beweging komen.
De ijsplakken worden in de richting van de wind over een grote afstand tegen elkaar geduwd, waardoor de spanning over de hele lengte toeneemt, zoals dat ook het geval is bij touwtrekken.

De natuurkrachten, die daarbij optreden, zijn enorm. De enorme ijsplaten worden moeiteloos tegen de zwaartekracht in omhooggeduwd en kunnen zo over de dijken heenschuiven. De ijsblokken of -velden kunnen ijsdammen opwerpen als ze over elkaar schuiven, kistwerken genaamd. Kistwerken ontstaan bij voorkeur in scherpe bochten of bij obstakels.

Het ijs kan ook dijken beschadigen: verschillende dijkdoorbraken in het verleden waren het gevolg van kruiend ijs. Het ijs kan aan de andere kant van de dijk terechtkomen, waardoor gevaarlijke situaties ontstaan en ook wegen beschadigd worden. De scheepvaart ondervindt veel hinder van kruiend ijs. Ook schepen kunnen enorme schade oplopen en het ijs kan op het dek terechtkomen.

De naweeën van een ijsperiode kunnen dankzij kruiend ijs en langzaam smeltende ijsrestanten lang duren en de temperatuur tot ver in het voorjaar drukken. Kronieken over koude winters eindigen altijd met spectaculaire verhalen over kruiend ijs en ijsbergen. Na de koude winter van 1996 vormden zich meters hoge ijsdammen, maar dat was kinderspel bij wat we eerder in deze eeuw hebben meegemaakt.

Na de zeer koude winter van 1940 werden bij Edam ijsschotsen van ruim een halve meter over de dijk geschoven en achter de dijk vormden zich ijsbergen van tien meter hoogte. Na de strenge winter van 1942 kwam Ameland pas eind maart na zeventig dagen uit zijn isolement. Spectaculair was ook de nawerking van de koude in februari 1929: eind maart slaagt de postboot er nog niet in om van Enkhuizen naar Urk te varen.

KNMI

Januari

Nader Verklaard
De naam januari is afgeleid van Janus, de Romeinse God van deuren en poorten en van alle begin. De maand wordt ook wel louw- of looimaand genoemd. Andere benamingen, die inspelen op de kou, zijn wolfsmaand , hardmaand en ijsmaand.

KNMI

Januari in Nederland

Koudegolf

Nader Verklaard
Een koudegolf is volgens definitie van het KNMI een aaneengesloten periode in De Bilt van minstens 5 ijsdagen (maximumtemperatuur lager dan 0,0 graden), waarvan op 3 dagen de minimumtemperatuur lager dan -10,0 graden (strenge vorst).

Zoveel kou komt in ons land maar weinig voor. Door de opwarming van het klimaat wordt extreme kou steeds zeldzamer maar het blijft wel mogelijk. Sinds 1901 telde De Bilt 32 tijdvakken die als koudegolf gekwalificeerd zijn. De barre winter van 1963 leverde zelfs vier koudegolven op met en totale duur van 27 dagen. De langste koudegolf beleefde ons land in februari 1947 toen de felle kou drie weken aanhield.

Elke koude winter telt wel één of meer opmerkelijk koude periodes te vinden, waarin het op een aantal plaatsen tot strenge vorst komt en de laagste temperaturen van de hele winter worden gemeten. Dat gebeurt meestal nadat er een dik pak sneeuw is gevallen en het onder een heldere hemel flink kan afkoelen. Kijken we naar de koudste periodes van tien dagen sinds 1901 dan is de periode 18-27 januari 1942 in De Bilt de koudste met een gemiddelde etmaaltemperatuur van -11,3 graden. De extreme kou periode begon al een week eerder en vanaf 12 januari 1942 kwam de temperatuur in De Bilt vrijwel elke dag lager dan -10 graden. De laatste dagen werden records gevestigd: op 26 januari 1942 kwam het kwik in De Bilt niet hoger dan -11,2 graden en de nacht die volgde koelde het af tot -24,8 graden, de laagste standen ooit op het hoofdstation van het KNMI gemeten.

Op 27 januari 1942 registreerde Winterswijk -27,4 graden, de laagste temperatuur van de eeuw in ons land. Op veel plaatsen was het de koudste nacht van de eeuw met 20 tot 25 graden vorst. Een tramconducteur in Den Haag schrijft in zijn dagboek over de vele sneeuwstormen in deze winter met sneeuwduinen van twee meter hoogte.

De periode 15-24 februari 1956 staat met een gemiddelde temperatuur van -10,5 graden op de tweede plaats. Ook toen viel er veel sneeuw, op de Waddeneilanden meer dan een halve meter. In deze maand vroor het in De Bilt op zeventiendagen meer dan 10 graden en op acht dagen meer dan 15 graden met -21,6 graden als minimum op 15 februari. Op 16 februari 1956 noteerde Uithuizermeeden -26,8 graden, op één na de laagste temperatuur in ruim honderd jaar.

De winter van 1929 leverde de op twee na ergste koudegolf: van 11-20 februari was de temperatuur in De Bilt gemiddeld -9,7 graden. Een week lang vroor het hier elke dag zeer streng, meer dan 15 graden onder nul. In Winterswijk werd op 14 februari van dat jaar -21,5 graden gemeten, maar ook Limburg deed deze keer mee met de kou: Sittard met -21,4 graden en Gemert met -20,7 graden.

KNMI

Wereld van de witte kerst (traditie en historie)

Nader Verklaard
Witte_kerstDe traditie van de witte kerst wordt vaak opgehangen aan "I'm dreaming of a white Christmas" van Bing Crosby. Irving Berlin schreef het in 1942 voor de musical "Holiday Inn", die zich afspeelt in Vermont in het noordoosten van de Verenigde Staten.

Volgens de Amerikaanse weerdienst is de kans dat 25 december een sneeuwdek heeft hier groter dan 75%. De componist Irving Berlin is van Russische afkomst, maar emigreerde naar New York waar hij verlangde naar de witte kerst: "just like the ones I used to know". Ook Charles Dickens leverde met zijn Christmas Carol een grote bijdrage aan de populariteit van de witte kerst. De in 1812 geboren Engelse schrijver maakte tal van zeer koude en sneeuwrijke winters mee, vooral in zijn jonge jaren toen Engeland het koudste decennium ooit beleefde. In de eerste tien jaar van zijn leven beleefde hij zes keer een witte kerst.

In een verder verleden viel nog vaker sneeuw met Kerstmis. De Kleine IJstijd, die rond 1430 begon en tot halverwege de 19e eeuw duurde, bevatte veel strenge winters. In Londen was het vooral in de jaren 1782-1811 vaak wit: eens in de vier jaar viel er sneeuw op de kerstdagen. In de vroeger eeuwen lag Londen zeker twaalf keer in honderd jaar met kerst onder een sneeuwtapijt. In de 20e eeuw gebeurde dat slechts vijf keer, maar elders vaker. In 1968 kreeg Zuid-Engeland 15 cm en meer noordelijk viel een halve meter. In 1993 beleefden vier miljoen Engelsen een witte kerst. Parijs had in 1970 zijn laatste witte kerst met 3 cm sneeuw.

Uit historische gegevens blijkt dat ook ons land in de vorige eeuwen twee tot drie keer zo vaak een witte kerst had dan in de 20e eeuw die er zeven telde. In Nederland wordt een witte kerst geboekt als op er op beide dagen in De Bilt een sneeuwdek ligt. Het KMI in Ukkel noteerde sinds 1941 zes keer sneeuw met kerst die bleef liggen, twee keer zo vaak dan in ons land. Kerst 1964 leverde hier 17 cm op. Parijs had in 1970 zijn laatste witte Kerst met 3 cm sneeuw,

Uiteraard hebben de Ardennen en de Duitse middelgebergten vaker sneeuw. Grote delen van Duitsland beleven eens in de vijf jaar een wat zij een witte kerst noemen met sneeuw op 24, 25 en 26 december. Regionaal zijn er echter grote verschillen: zo heeft München eens in de drie jaar een witte Kerst, Hamburg eens in de negen jaar en Frankfurt en Aken eens in de tien jaar. Plaatsen op 300 meter hoogte tellen jaarlijks vijftig tot zestig dagen met een sneeuwdek, dat is ruim het dubbele van het aantal in ons binnenland. Het hele land had, net als ons land, in 1981 de laatste witte kerst. Sneeuwgarantie met Kerst biedt het Finse KNMI. In de noordelijke helft van het land is er 95 tot 100% kans op een witte Kerst met een sneeuwdek van gemiddeld 30 à 40 cm. 

KNMI

Kortste dag

Nader Verklaard
De 21e december, de dag waarop dit jaar de sterrenkundige winter begint, is ook de kortste. Pas om 8u46 komt de zon op en om 16u30 gaat zij weer onder.
Dit zijn echter niet de uiterste tijdstippen: vanaf 13 december gaat de zon later onder en op 30 december blijft het 's ochtends het langst donker. Dat komt doordat de baan van de aarde om de zon geen cirkel is, waardoor de zon in de winter sneller beweegt dan in de zomer. Het gevolg is dat de zon dagelijks iets later door het zuiden gaat. Ook is de daglengte (het verschil in tijdstip van opkomst en ondergang van de zon) afhankelijk van de geografische breedte. Zo heeft Zuid-Frankrijk al op 9 december de vroegste zonsondergang en de meest late zonsopkomst op 3 januari. De hoeveelheid zon die de atmosfeer op de kortste dag ontvangt, is 85% minder dan op de langste dag, rond 21 juni. Dit verschil danken we niet alleen aan de grotere daglengte, maar hangt ook samen met de hogere zonnestand. Hoe hoger de zon aan de hemel, hoe kleiner het oppervlak dat door een stralenbundel verlicht wordt en hoe hoger de temperatuur.

Toch zijn 21 juni en 21 december meestal niet de warmste en koudste dagen. We zouden het kunnen vergelijken met een brandglas: de stralenbundel van de zon moet exact worden gericht om papier te schroeien. Hoe kleiner het door de stralen verwarmde oppervlak, hoe hoger de temperatuur. Het papier moet eerst ook voldoende opgewarmd worden voor het vlam vat. Hoe dikker het papier, hoe langer dat duurt.

Het klimaatsysteem reageert vertraagd op veranderingen in de hoeveelheid warmte. De 21e december is meestal niet de koudste dag in De Bilt: de laagste temperatuur wordt ongeveer een maand later bereikt. Water warmt langzamer op dan land en houdt warmte ook langer vast. Daardoor gelden aan de kust andere data dan landinwaarts. In Rotterdam en Den Haag valt de koudste dag zo'n 45 dagen na 21 december. Voor het landinwaarts gelegen Winterswijk is dat verschil maar 10 dagen.

Het ligt voor de hand te veronderstellen dat dichtbij zee een warme maand vaker gevolgd wordt door opnieuw een warme maand, terwijl op een koude maand in veel gevallen nog een koude maand volgt. Dit blijkt inderdaad zo te zijn, maar alleen aan het einde van de zomer en de winter. Het verband van de temperatuur tussen opeenvolgende maanden neemt ook af naarmate de plaatsen verder van zee liggen. De relatie heeft alleen betrekking op de gemiddelde temperatuur en zegt niets over wind, regen en zon.

KNMI

Begin van de winter

Nader Verklaard
Op zondag 21 december 2008 om 13.04 uur begint officieel de winter van 2008/2009. Meestal begint de winter op de 21e december en ook in 2009 is dat weer het geval. Soms is 20 december de begindatum, zoals in de 21e eeuw in 2080, 2084, 2088, 2092 en 2096.

De zon staat op de eerste dag van de winter loodrecht boven de Steenbokskeerkring. De verschillen in tijdstippen en soms ook data zijn het gevolg van het feit dat het tropisch jaar (het jaar waarop de kalender is gebaseerd) geen geheel aantal dagen telt, en van het invoeren van de schrikkeldag. De zon staat bij het begin van de winter het laagst boven de horizon, komt die dag in Midden-Nederland om ongeveer kwart voor negen op en gaat om half vijf onder. Deze dag is de kortste van het jaar, maar dat betekent niet dat de zon dan het laatst opkomt en het vroegst ondergaat.

Al vanaf 13 december gaat de zon later onder en pas op 30 december blijft het 's ochtends het langst donker. Dat komt doordat de aardbaan rond de zon niet cirkelvormig is, waardoor de zon in de winter schijnbaar iets sneller beweegt dan in de zomer. Het gevolg is dat de zon nu dagelijks iets later door het zuiden gaat. Ook is de daglengte (het verschil in tijdstip van opkomst en ondergang van de zon) afhankelijk van de geografische breedte. Zo heeft Zuid-Frankrijk al op 9 december de vroegste zonsondergang en de meest late zonsopkomst op 3 januari.

Het noordelijk halfrond heeft in deze periode de kortste dagen. Aan de Noordpool zelf blijft de zon zes maanden onder de horizon, maar het is daar niet zes maanden donker. De duisternis hangt samen met de burgerlijke avondschemering, die eindigt wanneer de zon zich 6 graden onder de horizon bevindt. De helderste sterren en planeten worden dan zichtbaar. Echt donker is het pas wanneer de zon 18 graden onder de horizon staat: de astronomische schemering genaamd. De burgerlijke schemering is op de Noordpool op 8 oktober geëindigd, de astronomische op 13 november.

De seizoensverschillen vinden hun oorzaak in de schuine stand van de as waar de aarde om draait. Hierdoor staat de zon op het Noordelijk Halfrond in de winter lager boven de horizon dan in de zomer. De zon beschrijft 's winters een kortere baan boven de horizon dan 's zomers en is vooral daardoor maar weinig uren zichtbaar. Hoe noordelijker, hoe korter de zon boven de horizon staat. In het gebied noordelijk van de Poolcirkel is de zon in deze periode gedurende een paar maanden in het geheel niet zichtbaar. Zelfs binnen de grenzen van ons eigen land is dat verschil in daglengte al merkbaar: vandaag duurt de dag in het uiterste noorden Nederland ongeveer 20 minuten korter dan in het uiterste zuiden.

Om praktische redenen en volgens internationale afspraak gebruiken de weerkundigen voor het berekenen van klimatologische gemiddelden een andere seizoensindeling. De Societas Meteorologica Palatina, een van de eerste internationale weerorganisaties onder leiding van de Duitse keurvorst Karl Theodor besloot in 1780 om steeds drie opeenvolgende kalendermaanden als één seizoen beschouwd. Volgens de klimatologische indeling is de winter al op 1 december begonnen en duurt het seizoen tot met 28 of 29 februari. Voor andere berekeningen, zoals het koudegetal van Hellmann wordt ook de kou in voor- en nawinter, in de maanden november en maart meegerekend. Volgens de astronomische kalender verschillen de seizoenen niet alleen in begindatum maar ook in lengte. De winter is met 88,89 dagen het kortste seizoen en dat blijft zo tot het jaar 6430. De zomer is sinds het jaar 1250 het langste seizoen met 93,65 dagen, de herfst telt 89,84 dagen.

KNMI

Alpensneeuw

Nader Verklaard
Alpenlandschap_2Het ene jaar krijgt de wintersport in het Alpengebied veel meer sneeuw dan het andere en soms valt er heel veel in korte tijd. Dat levert dan meestal groot lawinegevaar op.

Het sneeuw- en wintersportseizoen begint soms al in november en duurt in het Alpengebied tot ver in het voorjaar. Het aantal dagen met een sneeuwdek is afhankelijk van de ligging van het gebergte en de hoeveelheid zon op de helling. Boven de 2500 meter hoogte maakt dat vrijwel geen verschil en ligt permanent sneeuw en boven 3000 meter valt alle neerslag, ook in de zomer in vaste vorm. Op de Säntis begint de periode met een blijvend sneeuwdek al in oktober en pas in de zomer verdwijnt hier de sneeuw, gemiddeld eind juni.

Op het Zwitsers plateau, het gebied tussen de Jura en de Alpen en het Meer van Genève, is gemiddeld echter sprake van een sterke afname van het aantal dagen met een sneeuwdek. De neerslag viel vaker als regen en in het Alpengebied en de Duitse middelgebergten is een afname vastgesteld in de totale hoeveelheid sneeuw.

Sneeuwstatistieken laten echter te wensen over omdat de meetreeksen nog maar kort zijn, de meeste niet langer dan hooguit honderd jaar. Bovendien variëren de hoeveelheden van jaar tot jaar heel sterk en treden ook lokaal grote verschillen op. Uit onderzoek op de Hohenpeissenberg (977 meter) in het zuiden van Duitsland blijkt dat de gemiddelde hoeveelheid in de tweede helft van de vorige eeuw is afgenomen, van gemiddeld 295 cm in de jaren zestig tot 213 cm halverwege jaren negentig. Daarna was het weer kouder en vielen er echter soms weer forse hoeveelheden.

Ernstig was de sneeuwsituatie in het Alpengebied in februari 1999, toen er meer dan duizend lawines naar beneden kwamen. Verschillende plaatsen hadden in zeker vijftig jaar niet zoveel gehad. Op de Säntis (2500 meter) in Zwitserland lag in 1999 half februari 735 cm, waarmee het februarirecord (660 cm in 1970) werd overtroffen. In april 1999 lag hier zelfs 785 cm, een nieuw absoluut record. Het vorige record was 740 cm in maart 1970.

KNMI

Een gewone winter in Nederland

Nader Verklaard
Jacob_van_ruysdael_winterlandschapDe benaming winter is een samentrekking van water en wit, verwijzend naar de witte wereld. Vooral vroeger, met name in de Kleine IJstijd tussen circa 1430 en 1850, was ons land soms maanden achtereen in de ban van sneeuw en ijs, maar het is ook het seizoen van water, overstromingen en storm.

De eerste drie weken van de meteorologische winter (december, januari en februari), wordt het steeds donkerder, maar na de winterzonnewende, op 21 of 22 december, worden de dagen in het noorden weer langer.
De gemiddelde wintertemperatuur loopt uiteen van 2,4 graden in het noordoosten tot 4,2 graden in het zuidwesten. In de oostelijke helft liggen de nachtelijke temperaturen gemiddeld enkele tienden van graden onder nul, in het westen een paar graden boven nul. Vlissingen telt in de drie wintermaanden 20 dagen met vorst tegen 42 vorstdagen in Eelde. Op 15 dagen vriest het hier matig (lager dan -5 graden) en op 5 dagen streng (lager dan -10 graden). Op 10 tot 12 dagen vriest het in het noorden en oosten de hele dag. Vlissingen telt 6 ijsdagen, maar in noordelijke richting neemt het aantal ook aan zee toe tot 9 ijsdagen in Den Helder.

Langjarig gemiddelde van de wintertemperatuur in De Bilt is 3,3 graden (tijdvak 1971-2000)

De winter is het seizoen met de meeste uren neerslag. In drie maanden valt er landelijk gemiddeld gedurende 195 uur regen of sneeuw tegen 114 uur in de zomer. Toch is de winter niet het natste jaargetijde. Landelijk valt er 186 mm, dat is 45 mm minder dan in het najaar. Het midden van het land, rond de Utrechtse heuvelrug, is 's winters het natste gebied. In Beekbergen valt 243 mm. Zeeland is met ruim 160 mm in Noordgouwe (Schouwen Duiveland) een stuk droger. De landelijke verdeling van de neerslag toont echter een grillig patroon, deels samenhangend met het reliëf. De hoogste delen van het land vangen doorgaans de meeste neerslag. Zo krijgt in Zuid-Limburg het hogergelegen Vaals in 233 mm winterneerslag, terwijl Echt in Limburg slechts 163 mm opvangt.
Het aantal sneeuwdagen loopt in de winter uiteen van 13 in het zuidwesten tot 21 in het oosten.

De zon schijnt in drie maanden gemiddeld tussen 160 en 180 uren, het meest in het westen. Gewoonlijk laat de zon in het donkerste seizoen op 37 dagen geheel verstek gaan, terwijl dat de zomer landelijk maar 5 zonloze dagen telt. Op 5 dagen schijnt de zon de hele dag (meer dan 80% van de mogelijke duur) tegen 10 zeer zonnige dagen in het voorjaar.
De winter is ook het seizoen van de grote stormen. Landelijk gemiddeld stormt het op 1 dag, maar aan de kust staat gewoonlijk op 4 tot 6 dagen een stormachtige met windkracht 8 of meer.

Bron: klimaatatlas van Nederland

December

Nader Verklaard
In de Romeinse tijd was december de tiende maand (decem was latijn voor tien), tegenwoordig is het de twaalfde en laatste maand van het kalenderjaar en de eerste maand van de meteorologische winter. December heeft de kortste dagen maar is nog niet de koudste maand van het jaar.

KNMI

December in Nederland

Mistgevaar

Nader Verklaard
Mist, een vermindering van het zicht door kleine zwevende waterdruppeltjes, is gevaarlijk voor het verkeer. Weggebruikers kunnen er niet nadrukkelijk genoeg op worden gewezen dat ze bij mistig weer minder snel moeten rijden. Vooral plotseling opdoemende mistbanken zijn gevaarlijk. De laagstaande zon kan de automobilist bovendien verblinden, vooral als ook de ruiten van de auto beslagen zijn.
Bij vorst kan mist aanvriezen en gladheid veroorzaken. Zodra er kans is op mist vermeldt het KNMI dat in de weerberichten, ook als die kans klein is.

De vorming van mist hangt af van veel factoren, niet alleen van weer en wind, maar ook van bodemsoorten, begroeiing, reliëf, en de nabijheid van warmtebronnen zoals stedelijke bebouwing.
Mist kan ontstaan door afkoeling rond zonsondergang of vaak pas tegen zonsopkomst en vormt zich het eerst boven een weiland bij voorkeur in de buurt van een sloot waar de lucht vochtig is. De eerste mist zien we dus meestal langs de weg en mistbanken die de weg opdrijven lossen daar in eerste instantie op door luchtbeweging en warmte van het verkeer. De mistvrije “tunnel” kan op sommige weggedeelten een tijdje standhouden, maar op andere plaatsen hangen de mistbanken meteen over de weg. Vooral zo’n situatie, met grote verschillen in zicht, is gevaarlijk voor het verkeer dat veelal pas in de mist snelheid mindert.
In de verkeersinformatie (op TT-pagina 730) laat het KNMI opnemen hoeveel het zicht wordt beperkt en of de mist zich zal uitbreiden.

In de weerkunde is sprake van mist als het zicht in horizontale richting minder dan 1000 meter bedraagt. Voor het wegverkeer houdt dat in dat de lampen en overdag ook de contouren van een voertuig op een vlakke weg op maximaal die afstand zichtbaar zijn. Groot licht is op ongeveer anderhalf keer die afstand zichtbaar, mits de ruiten van de auto schoon zijn. Bij duisternis is het licht over een iets grotere afstand zichtbaar dan overdag.
Bij een zicht van minder dan 400 meter begint het verkeer er last van te krijgen, maar dichte mist met een zicht van minder dan 200 meter is pas hinderlijk. Zeer dichte mist met een zicht van minder dan 50 meter dwingt tot stapvoets rijden.

Bij mist: halveer je snelheid, verdubbel je afstand

KNMI

November

Nader Verklaard
November is afgeleid van Novem, de negende maand. Het vaak onstuimige weer heeft november namen opgeleverd als wind- of dolmaand. In de volksmond wordt de derde herfstmaand ook wel nevelmaand genoemd. Opmerkelijk zijn de grote tegenstellingen in het weer. Een nazomers weertype met 20 graden of meer is evengoed mogelijk als strenge vorst met meer dan 10 graden onder nul. November is de natste maand van het jaar met landelijk 79 mm neerslag in 72 uur.

KNMI

November in Nederland

Oktoberkou

Nader Verklaard
Oktober wordt ook wel de aarzelmaand genoemd, alsof de maand aarzelt tussen twee seizoenen. Vaak kent de maand inderdaad twee gezichten en vooral in de tweede helft van de maand kan het al flink vriezen.
Niet zelden komt het dan al in een aantal nachten op rij tot vorst en soms valt er al sneeuw. De vroegste sneeuw had De Bilt op 13 oktober 1975: vrijwel heel het land werd 's ochtends verrast door enkele centimeters sneeuw en midden op de dag wezen de thermometers 2 à 3 graden aan. Ook op 18 oktober 1973 en 24 oktober 2003 viel er sneeuw.

Sneeuw is in deze maand echter zeldzaam (in De Bilt was sinds 1901 op negen dagen sprake van uitgebreide sneeuwval), maar gemiddeld telt oktober wel 1 tot 3  vorstdagen. Behalve aan zee waar het relatief warme zeewater de vorst tegengaat. Soms vriest het in oktober landinwaarts al op 10 dagen. In 1912 sloeg de winter al in de eerste helft van de maand toe. Tussen 4 en 13 oktober 1912 kwam het in De Bilt al op 8 dagen tot lichte vorst. Winterswijk noteerde op 7 oktober 1912 met -5,7 graden al matige vorst.

De meest opmerkelijke oktoberkou beleefde ons land in de jaren 1919, 1920 en 1922. Oktober 1905 en 1922 zijn met in De Bilt 6,5 graden veruit de koudste zaaimaanden, zoals de maand ook wel wordt genoemd, van de eeuw. Normaal (gemiddeld over 1971-2000) is een gemiddelde van 10,3 graden. Tussen 22 en 29 oktober 1922 daalde de temperatuur iedere nacht onder nul en De Bilt had al twee nachten met matige vorst. Op 30 oktober dat jaar viel de eerste sneeuw en kwam de temperatuur in De Bilt niet hoger dan 1,7 graden.

Oktober 1920 heeft een nog langere reeks vorstdagen op naam staan. Op 19 oktober begon het te vriezen en tot en met 11 november kwam het kwik iedere nacht, met uitzondering van 29 oktober, onder nul. Oktober 1919 telde ook 10 dagen met vorst. De koudste oktobernacht beleefde ons land echter in 1931 toen het kwik op 28 oktober in Winterswijk tot -8,5 graden zakte. Ook De Bilt had toen met -7,8 graad zijn oktoberrecord. Op 24 oktober 2003 noteerde Twente een minimum van –8,4 graden.

Begin 1998 beleefden we het koudste weekeinde dat we ooit begin oktober hebben meegemaakt. Op 3 oktober 1998 kwam de temperatuur in De Bilt niet hoger dan 6,1 graad, een nieuw record voor de eerste tien dagen van oktober. De 4e oktober was met 8,9 graden nauwelijks minder koud. Op 12 oktober 2002 noteerde De Bilt 8,1 graden. Veel vorst in oktober is volgens een aantal volkswijsheden een voorbode van een milde winter. Het is inderdaad een aantal keren voorgekomen dat een winter die al vroeg van zich laat spreken in de kiem wordt gesmoord, maar er zijn ook uitzonderingen.

KNMI

Oktober

Wijnfles_3Nader Verklaard
De achtste maand van het Romeinse jaar genoemd naar octo (acht) opgedragen aan wijnliefhebber Bacchus, vandaar de bijnaam wijnmaand. Oktober werd voorheen ook wel aarselmaand genoemd vanwege de aarzeling tussen herfst en winter. Het is een echte overgangsmaand met soms nog zomers weer maar soms ook sneeuw en matige vorst. De kuststrook profiteert van het warme zeewater dat na de zomer maar langzaam afkoelt. 's Nachts koelt het daardoor aan zee meestal minder af dan in het binnenland.

KNMI

Oktober in Nederland

September

Nader Verklaard
Septem (zeven) was vroeger de naam van deze maand toen het voor de Romeinen de zevende maand was. In de Juliaanse kalender waarin het de negende maand werd, bleef de naam bestaan. Bijnamen zijn gerstmaand, havermaent en d'ander oogstmaand. Na augustus is september de tweede oogstmaand voor de late graangewassen. Meteorologisch begint op 1 september de herfst maar volgens de astronomische kalender begint het nieuwe seizoen pas rond 22 september. Dat laatste sluit beter aan bij de klimatologie: de eerste septemberweken horen gemiddeld nog helemaal bij de zomer met soms zelfs nog tropische temperaturen.

KNMI

September in Nederland

Augustus

Nader Verklaard
De derde maand van de meteorologische zomer is op veel plaatsen in Nederland de warmste van het jaar. In de middag wordt het gewoonlijk zo'n 23 graden, aan de kust is 20 of 21 graden normaal. Met landelijk gemiddeld 60 mm is het de droogste zomermaand.

KNMI

Augustus in Nederland

Juli

Caesarface_5Nader Verklaard
Quintilus afgeleid van quinque (vijfde) was de oude Romeinse naam voor juli, de vijfde maand in hun telling. Juli is genoemd naar keizer Julius Ceasar die op de in die maand geboren zou zijn. Hij bepaalde dat het jaar 365 dagen telt met om de 4 jaar een schrikkeldag extra.

Juli wordt ook hooimaand, medemaand, vennemaand of dondermaand genoemd.

KNMI

Juli in Nederland

Begin van de zomer

Nader Verklaard
4_seizoenen_bron_eumetsatOp zaterdag 21 juni om 01.59 uur MEZT begint volgens de sterrenkundige indeling de zomer van 2008. De zomer duurt dit jaar tot 22 september. De dag waarop de zomer begint is de langste dag van het jaar, die met 16 uur en 45 minuten uur duurt van 5:19 uur tot 22:04 uur (lokale tijd).

De zomer wordt geleidelijk langer (Stichting De Koepel, Jean Meeus) om in het jaar 3500 zijn langste duur te bereiken. De zomer begint wanneer de (geocentrische) lengte van het midden van de zon precies 90 graden bedraagt, en eindigt wanneer de lengte precies 180 graden is. Van jaar tot jaar zijn er echter grote verschillen door de > nutatie (periodieke verandering van de stand van de aardas, hoofdzakelijk door aantrekkingskracht van de maan) en door storingen van de maan en van de planeten op de beweging van de aarde.

De astronomische seizoensindeling is gebaseerd op de positie van de aarde ten opzichte van de zon. De seizoensverschillen vinden hun oorzaak in de schuine stand van de as waar de aarde om draait. Hierdoor komt de zon op het Noordelijk Halfrond in de zomer hoger boven de horizon dan in de winter en schijnt de zon in de zomer langer dan in andere jaargetijden.

In Noord-Europa is het daardoor in deze tijd langer licht dan in Zuid-Europa, een effect dat ook in ons eigen land merkbaar is. Op de Waddeneilanden kan de zon nu ongeveer een half uur langer schijnen dan in het zuiden van Limburg. In het gebied noordelijk van de Poolcirkel gaat de zon dezer dagen zelfs helemaal niet onder, waardoor een deel van Scandinavië de Middernachtzon beleeft.

Om praktische redenen en volgens internationale afspraak gebruiken de weerkundigen voor het berekenen van klimatologische gemiddelden een andere seizoensindeling. De Societas Meteorologica Palatina, een van de eerste internationale weerorganisaties onder leiding van de Duitse keurvorst Karl Theodor besloot in 1780 om steeds drie opeenvolgende kalendermaanden als één seizoen beschouwd. Volgens de klimatologische indeling is de zomer al op 1 juni begonnen en duurt het seizoen tot met 31 augustus. Voor andere berekeningen wordt ook de warmte in voor- en nazomer, in de maanden mei en september meegerekend.

De zomertijd duurt in 2008 van zondag 30 maart tot en met zondag 26 oktober (3 uur 's nachts).

KNMI

Zomer in Nederland

Nader Verklaard
Waar de naam zomer vandaan komt is onzeker, maar waarschijnlijk komt het van zon. Het begin, de zomerzonnewende, valt rond 21 juni. De zon bereikt dan de kreeftskeerkring waarna de dagen in het noorden weer korter worden. Meteorologen rekenen juni, juli en augustus tot de zomer, maar ook voor en na die tijd kan het zomers zijn. Het zomerhalfjaar duurt van mei tot en met oktober.

Vooral in juli en augustus is de kans op zomerse of tropische temperaturen het grootst. Gemiddeld over het land telt juni 4, juli 7 en augustus 6 zomerse dagen (25 graden of warmer). In het zuiden zijn 2 tropische dagen (30 graden of meer) in juli en augustus heel gewoon. Door het koude zeewater blijft de temperatuur aan zee in het begin van de zomer achter maar vooral later in het seizoen kan het ook hier tropisch worden. Opmerkelijk zijn de verschillen in nachttemperaturen: in Eelde ligt het minimum 's zomers op 10,5 tegen 13,8 graden in Vlissingen. Vooral na een lange warme periode blijft het aan de kust 's avonds aangenaam.

Het zomergemiddelde bedraagt in ons land 16,4 graden, in De Bilt 16,6 graden gemiddeld over 1971-2000. De uiterste gemiddelden van de laatste ruim honderd jaar lagen tussen 14,3 (1907) en 18,7 (1947). De zomers zijn tegenwoordig warmer: tussen 1931 en 1960 lag het gemiddelde in De Bilt 0,4 graden lager. In het begin van de 20e eeuw waren de zomers zelfs een hele graad kouder. Klimaatonderzoekers verwachten een verdere temperatuurstijging met meer kans op hittegolven. Zo'n zeer warme periode kwam sinds 1901 eens in de drie jaar voor. Dat wil niet zeggen dat er steeds drie jaar tussenzat: sommige zomers telden drie of vier hittegolven en tussen 1950 en 1975 was er geen enkele.

De warmte leidt tot buien met soms veel regen. Door de korte duur van de buien biedt de zomer de minste regen uren. Gemiddeld regent het 113,5 uren tegen 194,6 in de winter. Toch is de zomer 10 mm natter dan de winter, maar minder nat dan de herfst. Gemiddeld over het land valt 's zomers 195 mm tegen 231 in de herfst. Het Waddengebied heeft met 180 mm de minste zomerregen tegen ongeveer 215 in Groningen en Overijssel. Vaals in Limburg is met 237 mm de natste plaats in de zomer.

De zomerzon is landelijk gemiddeld 585 uren te zien is. De lente telt 481 zonuren, de herfst slechts 297. Het noordwestelijk kustgebied met de Wadden hebben 's zomers de meeste zon: 639 uren in Den Helder. Vlissingen doet er met 627 zonuren nauwelijks voor onder maar oostelijk Brabant ziet de zon minder dan 550 uren.

Bron: klimaatatlas van Nederland

KNMI

Juni in Nederland

Nader Verklaard
Juni draagt de naam van de Romeinse godin Juno of van de eerste consul van Rome Lucius Junius Brutus. De maand wordt tegenwoordig meestal zomermaand genoemd maar de oude naam is sinksenmaand. Dat is afgeleid van het Franse sinquiesme wat staat voor vijftigste. Dat slaat op Pinksteren, vijftig dagen na Pasen. In sommige streken wordt Pinksteren nog Sinksen genoemd. Andere namen voor juni zijn Rozenmaand, braakmaand of onweersmaand.

De maand telt gewoonlijk 4 tot 5 onweersdagen maar doet daarmee niet onder voor juli of augustus. Heftige onweders met hagelstenen en windstoten zijn echter goed mogelijk zeker wanneer de vaak nog koele zeelucht de hitte landinwaarts verdrijft. Dat kan ook minder heftig met het opsteken van wind van zee op rustige warme dagen.

De invloed van het koele zeewater heeft zijn weerslag op de temperatuur aan de kust. De gemiddelde maximumtemperatuur varieert van ongeveer 17 graden aan zee tot 21 graden in het oosten en zuidoosten. In de loop van de zomer worden de verschillen kleiner en wordt het overal warmer.

Ook koude nachten horen dan tot het verleden maar in juni kan het nog sterk afkoelen. Het nachtelijk minimum ligt tussen 9 en 11 graden, maar soms komt de temperatuur nog bij het vriespunt. Vorst op anderhalve meter hoogte is niet meer aan de orde, maar soms nog wel op 10 cm boven de grond. Talrijker zijn de warme dagen: op circa 10 dagen wordt het 20 graden of warmer. In augustus wordt vaak het dubbele aantal gehaald. Normaal zijn 3 dagen zomers met 25 graden of meer en een enkele dag tropische met 30 graden of meer. Zelfs een hittegolf (periode van minstens vijf dagen met 25 graden of meer waarvan drie met 30 graden of meer) hoort al tot de mogelijkheden: juni telde in honderd zeven hittegolven.

Met landelijk gemiddeld 70 mm is juni tegenwoordig de natste zomermaand. In de eerste helft van de vorige eeuw was augustus gemiddeld de natste maand, daarna juli en nu ligt de zomerse neerslagpiek dus nog een maand eerder. Groot zijn de verschillen echter niet en zomerse plensbuien zorgen landelijk vaak voor grote verschillen. Opmerkelijk is wel de grotere neerslagduur in juni. Landelijk gemiddeld regent het gedurende 45 uren tegen 32 in augustus. Met gemiddeld 189 uren zon is juni tegenwoordig de minst zonnige zomermaand, maar groot zijn de verschillen niet. Juli en augustus leveren zo'n 7 tot 10 uur meer zon op. Het kustgebied krijgt de meeste zon: 210 uren tegen 170 uren in het oosten en zuidoosten.

Bron: KNMI en Klimaatatlas van Nederland

Droogte in Nederland

Nader Verklaard
Langdurige periodes met weinig neerslag komen in ons land niet vaak voor. Door de vele meren en de gestage aanvoer van water voornamelijk van de Rijn, leidt droogte hier zelden tot ernstige gevolgen. Periodes met droogte laten zich moeilijk vergelijken omdat het verloop van de neerslag, van jaar tot jaar verschilt. Bij zonnig weer met wind en hoge temperaturen kan er veel vocht verdampen, waardoor het watertekort snel toeneemt. Ook de voorgeschiedenis is van belang: als het ook eerder in het jaar droog was, loopt het tekort op. In de landbouw wordt dat aangevuld door kunstmatige beregening, wat gevolgen heeft voor de beschikbaarheid van water.

De zomer van 2003 was uitzonderlijk droog maar een langere droogteperiode beleefde ons land het laatst in 1995 en 1996. Van de 22 maanden tussen juli 1995 en april 1997 waren er in De Bilt slechts vijf natter dan normaal. Droog waren vooral in augustus en oktober 1995, januari, maart en april 1996 en januari en maart 1997. In de hele periode viel slechts 69% van de hoeveelheid die normaal had moeten vallen. Vooral in de eerste twaalf maanden van deze periode waren de tekorten groot. In De Bilt viel tussen juli 1995 en juni 1996 volgens handmatige metingen van de neerslag om 8 uur 's ochtends slechts 448 mm, wat ongeveer de helft is van de normale som. In de 20e eeuw is een periode van een jaar slechts eenmaal nog droger geweest: van september 1920 tot en met augustus 1921 viel hier 370 mm. Andere jaren met langdurige droogte waren 1959 en 1976. Net als in 1921 was het toen vooral in het groeiseizoen droog waardoor de voedselvoorziening in het gedrang kwam. In 1995, 1996 en 1997 was het vooral in de maanden buiten het groeiseizoen droog, waardoor de gevolgen uiteindelijk meevielen.

KNMI

Mei in Nederland

Nader Verklaard
Mei is genoemd naar Maja, de godin van wat bloeit en groeit in het voorjaar en van de vruchtbaarheid van de vrouw. De maand wordt daarom ook wel bloei-, bloemen- of Vrouwenmaand genoemd. Later is mei speciaal gewijd aan Maria om de heidense vruchtbaarheidsfeesten van het meifeest tegen te gaan. Vandaar de bijnaam Mariamaand.
Mei is de afsluitende maand van de meteorologische lente en de zonnigste van het jaar. Zeker overdag is het vaak warm , maar 's nachts is vorst aan de grond nog goed mogelijk. De IJsheiligen van 11 tot en met 14 mei zijn er berucht om en worden door de vorstschade aan bloeiende gewassen gevreesd door de land- en tuinbouw

Het weer heeft deze maand veruit de meeste uren zon en zeker overdag vaak aangename temperaturen. Overdag is zo'n 17 graden normaal, maar de maand telt al 1 tot 6 dagen met zomerse temperaturen van 25 graden of meer, de minste aan zee, de meeste in Limburg en Brabant. Hier is ook een eerste tropische dag met 30 graden of meer heel goed mogelijk.
De nachten zijn nog relatief koel met een gemiddeld minimum van 7,5 graden.

Het grootste pluspunt van mei is zon: met landelijk 207,5 uren zon heeft de maand een flinke voorspong op juni (189 uren). In de kop van Noord-Holland schijnt de zon in mei zelfs gemiddeld 230 uren. Relatief schijnt de zon deze maand 43% van de tijd dat ze op basis van de daglengte kan schijnen. 

Ook wat neerslag betreft is mei voor de recreant bepaald geen slechte maand. De neerslaghoeveelheden variëren van 45 mm in het westelijk Waddengebied en Noord-Holland tot ruim 65 mm op de Hoge Veluwe en het uiterste zuiden van Limburg.
Mei biedt vaak de eerste hevige zomerse onweders waarbij de regen met bakken uit de lucht kan komen. Etmaalhoeveelheden van meer dan 50 mm en grote hagelstenen zijn dan geen uitzondering.

Bron:KNMI en  Klimaatatlas van Nederland.

Het weer op Koninginnedag

Nader Verklaard
VlagSinds 1949 wordt Koninginnedag meestal op 30 april gevierd. In deze tijd van het jaar kan het weer zeer verschillend zijn, zo blijkt uit de statistieken van het weer op deze dag. Het kan guur weer zijn met regen en een koude noordwesten wind, maar het kan ook warm en zonnig zijn. Zeven keer is het voorgekomen dat het warmer dan 20 graden werd. De warmste Koninginnedag beleefden we in 1993 toen op veel plaatsen 26 tot 28 graden werd bereikt. Ook warm was deze dag in 1952 met temperaturen van 25 tot 27 graden, terwijl 1990 ook een fraaie Koninginnedag had met in het zuiden ruim 23 graden. In zestien andere jaren was het wel zonnig, maar bleef de temperatuur iets of soms ruim onder 20 graden.

Een gure noordwester of noordenwind kan de temperatuur in deze tijd van het jaar ondanks de zon ook heel laag houden. Koninginnedag begint dan vaak met vorst; zo vroor het in 1971 's ochtends plaatselijk meer dan 5 graden. Ook in 1996 begon de feestdag met lichte vorst, maar overdag werd het bij zonnig weer toch nog 12 tot 16 graden. Heel koud en guur met niet alleen een harde wind, maar ook regen-, hagel- of onweersbuien was Koninginnedag in 1956, 1970 en 1979.  In 1970 was het gewoon koud met temperaturen tussen de 7 en 9 graden. Ook kan het op Koninginnedag flink onweren. 8 Keer onweerde het wel ergens in het land, op uitgebreide schaal vooral in 1955 en 1973.

Een grotendeels of volledig verregende Koninginnedag kwam slechts zes keer voor, waarbij de ergste regen zich meestal beperkte tot een deel van het land. Zo regende het op 30 april 1991 in Limburg 21 uur achtereen bij een temperatuur van 9 graden, terwijl het noorden van het land het droog hield en Friesland zelfs 8 uur zon registreerde. Zowel in 1989 als in 1990 waren de verschillen in het weer tussen de ochtend en de rest van de dag groot: Koninginnedag begon toen met dichte mist, maar in de loop van de ochtend brak de zon door waarna het alsnog een zeer zonnige feestdag werd.

Op Koninginnedag kan het weer dus van jaar tot jaar sterk uiteenlopen, zoals karakteristiek is voor het grillige weer in april. Gemiddeld over vele jaren mogen we op die dag een middagtemperatuur verwachten van ongeveer 14 graden, maar veel zegt dat niet. Onder extreme omstandigheden is de temperatuur die dag in Nederland bij regen en wind ook wel eens onder de 8 graden gebleven of bij zonnig weer kan de temperatuur in de tweede helft van april tot ruim 30 graden oplopen.

De laatste jaren
De laatste warme Koninginnedag beleefden we in 2004 toen op 30 april 21 tot 25 graden werd gemeten. De dag eindige echter met natuurlijk vuurwerk: in de namiddag ontstonden zware onweersbuien met hagel en windstoten die in het zuiden plaatselijk 50 mm opleverden en aanleiding gaven tot wateroverlast.
Koninginnedag 2006, (in dat jaar op 29 april), was de koudste sinds 1985. In De Bilt kwam de temperatuur die dag niet hoger dan 11,4 en op 30 april niet hoger dan 11,5 graden. Bovendien vielen er buien, soms met hagel en onweer.
In 2007 was Koninginnedag weer eens vrij warm met temperaturen tussen 15 en 22 graden.

KNMI

April in Nederland

Nader Verklaard
April is afgeleid van Aprilis afgeleid van aperire (openen of ontluiken) en apricus (zonnig). De naam zou ook kunnen slaan op Aphrodite, de Griekse godin van vruchtbaarheid, schoonheid en liefde. Het vee verlaat de stallen en gaat weer naar de wei, vandaar de bijnaam grasmaand. Ook wordt april aangeduid als Paasmaand, Oostermaand (naar Ostara, godin van groei en bloei) of Eiermaand. Weerkundig is het een overgangsmaand met winterse en zomerse trekjes: april doet wat hij wil.

Door de contrasten zeggen de langjarige gemiddelden weinig over het werkelijke verloop van het weer. De gemiddelde temperatuur varieert van 7,5 graden in het noordwesten tot 8,5 in de zuidelijke helft maar de uitersten liggen tussen -10 en ruim +30 graden! Aan de kust wordt de temperatuur overdag laag gehouden door het nog koude zeewater, maar de nachten zijn in het binnenland kouder. Gemiddeld scheelt dat zo'n 2 tot 3 graden maar soms kan het verschil groter zijn dan 10 graden.

De meeste weerstations hebben nog 2 dagen met vorst, maar in het binnenland is op een aantal plaatsen 5 vorstdagen normaal. Vorst vlak boven de grond komt op gemiddeld 9 dagen voor. Op 2 of 3 dagen wordt het landinwaarts warmer dan 20 graden, maar aan de kust gebeurt dat in deze maand nog maar zelden.

Met landelijk gemiddeld 42,5 mm neerslag is april tegenwoordig de droogste maand van het jaar. De karakteristieke voorjaarsbuien (met hagel, natte sneeuw en onweer) duren kort en leveren weinig op. Toch heeft april niet de minste regenuren: landelijk regent het gemiddeld 44 uren tegen 32 uren in augustus. De hoeveelheden lopen uiteen van minder dan 40 mm in het noordwesten en noordwesten tot 60 mm in het zuidoosten van Limburg.

De zon schijnt in deze maand gemiddeld over het land 161 uren wat 39% is van de tijd dat ze kan schijnen. Een flinke verbetering tegenover maart met 31%. Aan de kust schijnt de zon vaker dan in het binnenland: de aantallen variëren van ruim 170 zonuren in het westen tot minder dan 150 in het oosten. Kenmerkend voor april en mei zijn periodes met dagen achtereen zon. De staalblauwe lucht verraadt de geringe hoeveelheid verontreiniging en vocht die de lucht bevat. De noordenwind die in deze tijd van het jaar soms waait zorgt niet alleen voor schone en droge lucht maar maakt het ook schraal of (als er ook buien vallen) guur. April is de laatste maand van het stormseizoen; een zware storm is nog steeds goed mogelijk.

Bron: KNMI en klimaatatlas van Nederland

Begin van de lente

Nader Verklaard
Op donderdag 20 maart 6.48 uur begint in 2008 de astronomische lente: de zon staat dan precies boven de evenaar. Die begindatum valt niet altijd op de 21e van de maand, zoals vaak wordt gedacht. Sterker nog, de komende decennia begint de astronomische lente vrijwel ieder jaar op 20 maart.
De seizoensindeling is gebaseerd op de positie van de aarde ten opzichte van de zon. De seizoensverschillen vinden hun oorzaak in de schuine stand van de as waar de aarde om draait. Hierdoor komt de zon op het noordelijk halfrond (waar ook Nederland ligt) in de zomer hoger boven de horizon dan in de winter en schijnt daardoor in de zomer langer dan in de winter.

Dag en nacht duren op de eerste lentedag overal ter wereld even lang, maar niet exact. In ons land duurt de dag waarop de lente begint alweer ongeveer 10 minuten langer dan de nacht. Verschillen die het gevolg zijn van het feit dat de tijdstippen van opkomst en ondergang van de zon betrekking hebben op de bovenrand van de zon. Bovendien is de zon door breking van stralen in de atmosfeer nog kort zichtbaar terwijl zij in werkelijkheid al onder is.

Als de luchttemperatuur direct en alleen op de zon zou reageren dan zou 21 juni, de langste dag van het jaar, ook de warmste dag moeten zijn en precies midden in de zomer moeten vallen. In werkelijkheid loopt de temperatuur langzamer op vooral onder invloed van oceanen en zeeën. De opwarming van zeewater door de zon gaat langzamer dan de opwarming van landoppervlak.

Onder invloed van het nog koude water van de Noordzee begint aan de Nederlandse kust het warmere seizoen later dan in het binnenland. Als we de seizoensindeling volledig zouden laten afhangen van de gemiddelde temperatuur op verschillende plaatsen in het land, kunnen we uitrekenen dat de lente in Zuid-Limburg gemiddeld eigenlijk al op 9 maart begint en op Terschelling pas op 23 maart.

Om praktische redenen en volgens internationale afspraak gebruiken de weerkundigen voor het berekenen van klimatologische gemiddelden een andere seizoensindeling. De Societas Meteorologica Palatina, een van de eerste internationale weerorganisaties onder leiding van de Duitse keurvorst Karl Theodor besloot in 1780 om steeds drie opeenvolgende kalendermaanden als één seizoen beschouwd. Volgens de klimatologische indeling is de lente dus al begonnen op 1 maart en duurt dit seizoen tot en met 31 mei. Zo kunnen de seizoenen over de jaren heen beter met elkaar vergeleken worden.

Bron: KNMI en Sterrenkundig jaarboek de Sterrengids

Stof- en zandstormen

Nader Verklaard
In droge woestijngebieden komen regelmatig enorme stof- en zandstormen voor. De wind is in staat om grote hoeveelheden zand over grote afstand te verplaatsen. Wanneer het stof hoog in de atmosfeer komt kan het duizenden kilometers afleggen waarbij het onderweg door neerslag of de zwaartekracht geleidelijk uit de lucht verdwijnt. Het stof kan tot tien kilometer hoogte in de atmosfeer komen en kan het zicht aan de grond beperken tot minder dan vijftig meter. De storm komt opzetten als een muur van stof en zand en wordt voorafgegaan door een beangstigende periode van rust, de stilte voor de storm. Daarbij wordt het bijzonder warm en droog: de temperatuur stijgt tot 30 à 40 graden en de vochtigheid loopt terug tot een paar procent.

Stof- en zandstormen komen in veel gebieden vooral in het voorjaar voor, wanneer de temperatuurvariaties het grootst zijn, maar in het Golfgebied is de droge zomer de tijd. Irak heeft er dan gemiddeld op 20 tot 30 dagen mee te maken. Hier wordt een zandstorm shamal genoemd en zo kent elk land zijn eigen benaming: sharav in Israël, sirocco in Marokko, chili in Tunesië en ghibli in Lybië. De Egyptenaren noemen een zandstorm khamsin, de vijftig-dagen-wind. Zo langdurig zijn de zandstormen hier echter niet, in werkelijkheid duren ze in het voorjaar ongeveer een week. Ook het oosten van Azië is berucht om de uiterst onplezierige karaburan, ook wel zwarte blizzard genoemd. Het stof waait met stormwinden vanuit de uitgestrekte Gobi woestijn naar het noordoosten van China, waarna het zich verder kan verspreiden naar Zuid-Korea of Japan. Soms bereikt het stof zelfs de Verenigde Staten, maar het meeste is daar dan al uit de lucht verdwenen.

© KNMI

Maartse buien

Nader Verklaard 
Karakteristiek in het voorjaar is een weertype met buien afgewisseld door flinke zonnige perioden. In deze maand worden dat ook wel "Maartse buien" genoemd. Onze zuiderburen hebben het over voorjaarsbuien. Meestal is het dan guur met relatief lage temperaturen en een vlagerige wind.
De koude uit de poolstreken afkomstige lucht wordt aan de achterkant van depressies naar het gebied van de Noordzee gevoerd. In het vroege voorjaar is de zee en de lucht vlak boven het water warmer dan de poollucht op grote hoogte in de atmosfeer. Warme lucht is lichter dan koude, zodat het warme luchtlaagje vanaf de zee zal stijgen wat tot de vorming van talrijke wolken leidt. Dat proces is enigszins vergelijkbaar met opstijgende luchtbelletjes in een pan kokend water. In de atmosfeer kunnen de stapelvormige wolken tot enorme afzonderlijke buiencomplexen uitgroeien.

Als het koud genoeg is kunnen de buien ook (natte) sneeuw opleveren met kans op plotselinge gladheid en vooral in de kuststreken soms nog een sneeuwtapijt achterlaten. De actiefste "Maartse buien" kunnen bovendien vergezeld gaan van (zachte) hagel en onweer, meestal maar enkele donderklappen.

In het binnenland sterft de buienactiviteit 's avonds snel uit omdat het daar dan sterk afkoelt. Overdag, wanneer het land door de zon sterk wordt opgewarmd, breidt de buienactiviteit zich landinwaarts uit en kunnen er ook daar fikse buien vallen. Toch leveren de "Maartse buien" in het algemeen maar weinig neerslag op, omdat ze snel passeren en maar kort duren.

Tussen de buien door klaart het flink op en heeft de lucht een diep blauwe kleur. Dat komt omdat de poollucht weinig verontreiniging bevat en relatief droog is. Het zonlicht wordt dan minder verstrooid waardoor de stapelwolken tegen een mooie blauwe hemel afsteken.

KNMI

Lente

Nader Verklaard
De meteorologische lente begint op 1 maart en duurt tot en met 31 mei. De astronomische lente begint in de komende decennia vrijwel ieder jaar op 20 maart. Bij het begin van de sterrenkundige lente staat de zon precies boven de evenaar. De astronomische seizoensindeling is gebaseerd op de positie van de aarde ten opzichte van de zon, de meteorologische heeft als uitgangspunt dat ieder seizoen drie complete kalendermaanden telt. Door het warmere weer van de laatste jaren begint het groeiseizoen, de lente in de natuur, tegenwoordig eerder.

© KNMI

Maart in Nederland

Nader Verklaard
Volgens de Oudromeinse kalender was maart de eerste maand van het jaar, maar na invoering van de Juliaanse kalender in 45 voor Christus werd dat januari. De Romeinen spraken van Martius naar Mars, hun God van oorlog maar ook van vruchtbaarheid en wasdom.
In de volksmond wordt maart thor- of dondermaand genoemd naar de Germaanse God van donder en oorlog, Thor of Donar. Later was maart lentemaand vanwege het lengen der dagen.

Het grillige weer met korte buien dat karakteristiek is voor het voorjaar bezorgt maart ook wel de naam buienmaand, maar die naam past meer bij april. In maart regent het langer, gemiddeld zo'n 67 uur, ruim twee keer zo veel dan in augustus.
Maart is tegenwoordig met landelijk gemiddeld 62 mm natter dan februari (45 mm) en april (43 mm). Het Waddengebied en de provincies Groningen en Zeeland zijn de droogste gebieden met minder dan 60 mm. Elders valt gemiddeld 60 tot 70 mm, op de Veluwe plaatselijk meer dan 80 mm. Op gemiddeld 4 dagen valt er sneeuw, op 3 dagen hagel en net als in de winter wordt op 1 dag onweer gehoord.

Door de grotere daglengte neemt het aantal zonuren sterk toe van gemiddeld 78 in februari tot 112 in maart. De Waddeneilanden zien de zon zo'n 115 tot 125 uren, het oosten van ons land komt iets boven de 100 zonuren uit.
De zon schijnt zo'n 31% van de tijd dat ze kan schijnen, van april tot en met augustus loopt de mogelijke zonneschijnduur door het zonniger weer op tot rond 40%. Maart telt dan ook nog 7 zonloze dagen tegen 4 in april en 1 in augustus.

De gemiddelde temperatuur loopt snel op van 4 graden in het begin tot 7 graden aan het einde van de maand. In de eerste helft van de maand kan het nog flink winteren, maar de hele maand is vorst mogelijk.
In totaal telt maart 8 vorstdagen met temperaturen onder nul en 1 dag met matige vorst tussen -5 en -10 graden. IJsdagen komen weinig voor, omdat de zon overdag veel warmte geeft. Op 2 dagen is het warmer dan 15 graden en ook een dag met meer dan 20 graden (warme dag) is al goed mogelijk.

De eerste warme dag valt echter meestal pas in april. In overgangsmaand maart ontstaan soms actieve depressies die aanleiding kunnen geven tot storm. Wat wind betreft doet de maand nauwelijks onder voor het najaar en de winter.

Bron: KNMI en Klimaatatlas van Nederland

Mistdagen

Nader Verklaard
Over korte afstanden van soms nog geen honderd meter kunnen verschillen optreden in het zicht. Een vermindering van het zicht kan optreden door stof, rook of kleine waterdruppeltjes. Een weertype met veel stof of rook wordt heiig genoemd. Bij zichtafname door waterdruppeltjes wordt gesproken van nevel of mist. Bij nevel is het zicht beperkt tot 1 of 2 kilometer en bij mist bedraagt het zicht minder dan 1 kilometer. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen dichte mist (tussen 50 en 200 meter zicht) en zeer dichte mist (minder dan 50 meter).

Transmissometer_for_measuring_visibHet meteorologisch zicht is de grootste afstand waarop een zwart object te zien en te herkennen is. Het zicht kan in verschillende richtingen verschillen. Weerkundigen melden altijd het minste zicht. In de vorige eeuw werd het zicht door de waarnemer ingeschat, maar tegenwoordig wordt het gemeten. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een transmissometer of een scatterometer. Dergelijke mistmeters zijn niet alleen te vinden op weerstations maar ook langs start- en landingsbanen op vliegvelden en bij autowegen. Ze zien eruit als een paal met twee naar elkaar gerichte “camera’s”. De een bevat een zender die een lichtbron uitzendt, de ander is de ontvanger. Het signaal dat de ontvanger binnenkrijgt wordt zwakker naarmate het zicht minder is. Ook satellieten laten zien waar het mistig is.

Als in minstens één van de 24 uurvakken van een dag mist optreedt wordt die dag gerapporteerd als mistdag. De kans op mist is het grootst tussen oktober en januari, vooral na zonsondergang en met name vlak vóór zonsopkomst. In het binnenland telt een maand in het mistseizoen 8 tot 10 mistdagen, aan zee 5 tot 7. In het voorjaar en in de zomer is het aantal mistdagen ongeveer de helft van dat in de herfst. Bovendien lost de mist na zonsopkomst door de warmte ‘s zomers veel sneller op. In de zomer blijft de mistduur beperkt tot hooguit een paar uur, terwijl mist in het najaar of de winter soms de hele dag blijft hangen. ’s Avonds, wanneer het afkoelt, wordt de mist meestal dikker.

Mist ontstaat bij voorkeur in de buurt van sloten of boven laaggelegen weilanden. Dat gebeurt bij rustig weer in hogedrukgebieden met vochtige lucht. Plaatselijk kunnen enorme verschillen in mist ontstaan. Een beetje wind kan zorgen voor verplaatsing van een heel mistgebied, waardoor het zicht in de richting een bepaalde omgeving opeens kan veranderen. Weerkundigen noemen mist die komt aanwaaien advectieve mist.

© KNMI

Zie ook onder de blog MIST

Luchtdruk

Nader Verklaard
Het klinkt misschien gek, maar lucht heeft gewicht. Het is niet veel want 1 liter lucht weegt 0,003 gram. Maar het wordt toch aardig wat als je de hele dikte van de dampkring meetelt. Een luchtkolom in de atmosfeer vertegenwoordigt een bepaald gewicht en veroorzaakt daardoor een druk op het aardoppervlak. Dit is voor het eerst gemeten met kwik. Een kolom kwik van 76 cm hoog en een oppervlak van 1 vierkante cm weegt precies 1 kg. Tegenwoordig spreken we over millibar of hectoPascal (hPa), waarbij 75 cm kwik voor 1000 hPa staat. De luchtdruk varieert van plaats tot plaats en ligt aan het aardoppervlak meestal tussen 940 tot 1060 hPa. In de kern van tropische stormen, zoals hurricanes kan de luchtdruk dalen tot onder 900 hPa.
Verschil in luchtdruk ontstaat door verschil in verwarming. Hoe warmer de lucht, hoe lichter het gewicht, dus hoe lager de druk.

Hogedrukgebied
Gebied met een hogere luchtdruk dan de omgeving, ook wel hoog of anticycloon genoemd. Een uitloper van het hogedrukgebied wordt een rug van hoge druk genoemd, een snel passerend hogedrukgebied een trekrug of tussenhoog. Het bekendst is het Azorenhoog bij de Azoren dat ontstaat door de uitwisseling van warmte tussen de tropen en de poolgebieden. De positie van dat hogedrukgebied is een belangrijke sturingsfactor van het weer in West-Europa. Een hogedrukgebied biedt vaak mooi weer maar door de rust in de atmosfeer kan het ook mistig of bewolkt zijn. Ook bij hoge barometerstanden kan het soms regenen.

Lagedrukgebied
Een lagedrukgebied of depressie ontstaat in het grensgebied tussen twee verschillende luchtsoorten. Bijvoorbeeld tussen koude lucht van noordelijke breedten en tropische lucht van zuidelijke breedten. In het grensvlak van de beide luchtsoorten kan door een veelheid aan oorzaken een golfvormige uitstulping ontstaan die verder kan uitgroeien tot een lagedrukgebied of zelfs tot een heuse diepe stormdepressie. Een depressie zou je voor kunnen stellen als een enorme atmosferische stofzuiger op zo'n 8 tot 10 kilometer hoogte, die de lucht naar boven zuigt. De lucht stroomt spiraalsgewijs naar het centrum van lagedruk toe.

Barometer
Precision_barometer_8De luchtdruk wordt gemeten met een barometer. In de meeste barometers zit een luchtledig doosje dat afhankelijk van de drukverandering meer of minder ingedrukt wordt. Die beweging wordt overgebracht op een wijzerplaat, waarop de luchtdruk kan worden afgelezen. De luchtdruk is de kracht die het gewicht van de lucht in de atmosfeer op een oppervlak uitoefent. In de weerberichten wordt de luchtdruk opgegeven in hectopascal (hPa). Snelle veranderingen van druk gaan meestal vergezeld van veel wind of zijn voorbode van storm. Als de stand van de barometer snel oploopt of daalt betekent dat vaak dat het weer gaat veranderen. Uit onderzoek naar het verband tussen de barometerstand en het weer blijkt dat in 80% van de gevallen een stijgende luchtdruk tot een weersverbetering leidt en een dalende luchtdruk tot slechter weer.

© KNMI

Matige vorst

Nader Verklaard
Dit weekend komt het 's nachts op veel plaatsen met temperaturen tussen de -5 en -10 graden tot matige vorst. Op sommige plaatsen is het nog niet eerder zo koud geweest deze winter.

Wat is matige vorst?
Bij matige vorst vriest het tussen de -5 en -10 graden. Meestal spreken we hierover als het op ooghoogte zo koud is. Dichter bij de grond, op klomphoogte, komt matige vorst vaker voor. Dit heeft te maken met de afkoeling die vlak boven de grond gewoonlijk sterker is dan op wat grotere hoogte.

Wanneer komt matige vorst voor?
Matige vorst treedt op in het winterseizoen van oktober t/m april. In het zomerseizoen is nog nooit matige vorst gerapporteerd, hoewel het ook dan op een beschutte plek soms ook tot vorst aan de grond komt.

Stralingskou
Meestal hangt matige vorst samen met koud, helder en rustig weer. De lucht wordt dan niet meer gemengd met zachtere lucht op wat grotere hoogte, waardoor alle afkoeling voor rekening komt voor de onderste 10 meter van de lucht boven het aardoppervlak. Dit noemen we stralingskou.

Transportkou
Matige vorst kan ook optreden bij transportkou. Een krachtig hogedrukgebied boven Rusland zorgt dan voor aanvoer van diepvrieskou. Soms blijft het dan ook overdag 5 tot 10 graden vriezen, een enkele keer zelfs streng met meer dan -10. De laatste keer dat overdag ook matige vorst optrad was tijdens de vorstperiode van januari 1997. De kou werd toen gevolgd door een Elfstedentocht.

Matige vorst en gevoelstemperatuur
Als het rustig en zonnig weer is voelt matige vorst veel minder koud aan, dan als er een krachtige oostenwind staat. De warmte van ons lichaam wordt als het stevig waait veel sneller afgevoerd. Het is met transportkou daarom des te belangrijk om goed gekleed naar buiten te gaan. Kwetsbare delen zoals oren, gezicht en ledematen zijn gevoeliger voor de kou.

Matige vorst deze winter
In december kwam het tijdens de lange vorstperiode in De Bilt tweemaal tot matige vorst met temperaturen net onder de -5 graden. In februari hield het met wat lichte vorst tussen de 0 en -5 graden op. Deze maand is de kans groot dat we door het koude weekend nog een paar nachten met matige vorst krijgen. Op veel plaatsen worden zelfs de laagste minima van deze winter gerapporteerd. Of er meer nachten met matige vorst volgen is nog niet te zeggen. Maart en zelfs april kunnen nog koude nachten in petto hebben.

Bron: WeerOnline

Mist

Nader Verklaard      
Mist, een vermindering van het zicht in horizontale richting door kleine zwevende waterdruppeltjes. In feite is het een wolk met de basis op of vlak boven het aardoppervlak. Onderscheid wordt gemaakt tussen mist (minder dan 1000 meter), dichte mist (zicht minder dan 200 meter) en zeer dichte mist (minder dan 50 meter). Bij een zicht van minder dan 400 meter begint het verkeer er last van te krijgen, maar dichte mist met een zicht van minder dan 200 meter is pas hinderlijk.

Februari_010Mist kan ontstaan door afkoeling rond zonsondergang of vaak pas tegen zonsopkomst en vormt zich het eerst boven een weiland bij voorkeur in de buurt van een sloot waar de lucht vochtig is. De eerste mist zien we dus meestal langs de weg en mistbanken die de weg opdrijven lossen daar in eerste instantie op door luchtbeweging en warmte van het verkeer. De mistvrije "tunnel" kan op sommige weggedeelten een tijdje standhouden, maar op andere plaatsen hangen de mistbanken meteen over de weg. Vooral zo'n situatie, met grote verschillen in zicht, is gevaarlijk voor verkeer dat pas in de mist snelheid mindert. Wordt op uitgebreide schaal mist verwacht dan wordt dat uitdrukkelijk in het weerbericht aangekondigd.
In de verkeersinformatie wordt zo nauwkeurig mogelijk aangegeven waar mistgebieden voorkomen. Ook wordt de weggebruiker geïnformeerd of de mist de komende uren zal uitbreiden of verdwijnen. Voor de weggebruiker is die informatie uitermate nuttig. Een afname van het zicht brengt immers grote gevaren met zich mee. Zo is in de mist de remweg van een auto al gauw groter dan de afstand die de automobilist kan overzien.

Mist, hoe komen we er doorheen? Bijna iedereen vindt mist eng. En terecht. Het overzicht is slecht en de kans op een ongeval daardoor een stuk groter. Daar komt nog bij dat mist vaak heel verraderlijk is. Het ene moment is het zicht redelijk en zijn de voorliggers nog goed zichtbaar, het volgende moment rijdt u in dichte mist en kunt u plotseling geen hand meer voor ogen zien. Het lijkt alsof u alleen op de wereld bent, terwijl er juist op dat moment vlak voor uw neus een file kan staan.

Licht in de mist
Natuurlijk is het altijd belangrijk dat uw verlichting goed werkt. Maar tijdens mist is verlichting helemaal van levensbelang. Check de verlichting daarom regelmatig. Bij mist moet u altijd dimlicht voeren. Geen stadslichten dus. En gebruik nooit uw groot licht, want daarmee verblindt u uzelf. Gebruik het mistachterlicht alleen bij minder dan 50 meter zicht. En liever één mistachterlicht dan twee. Als u mistlampen vóór op de auto hebt, mag u die alleen gebruiken als de mist zo dicht is, dat het zicht ernstig belemmerd wordt. Waarschuw bij een file in de mist het achteropkomende verkeer met uw alarmlichten.

Halveer uw snelheid
Verminder bij mist uw snelheid altijd fors. Rem niet plotseling als daar geen reden voor is, maar verminder uw snelheid geleidelijk en schat daarna zelf de situatie in. Moet u dan alsnog plotseling remmen, dan is uw remweg in ieder geval een stuk korter.

Verdubbel uw afstand
Hou bij mist altijd dubbel zoveel afstand. Klamp u bij zeer dichte mist niet vast aan de achterlichten van uw voorligger. U hebt in geval van nood meer ruimte nodig dan u denkt. Door de afstand met uw voorligger te vergroten, hebt u meer tijd om te reageren als er plotseling een file -of erger- ontstaat.

Hou zo veel mogelijk rechts
Zo kunt u in een noodsituatie naar de vluchtstrook of de berm uitwijken. Laat bij een ongeval uw alarmlichten aan, verlaat zo snel mogelijk de auto en ga achter de vangrail staan.

Bron  KNMI

Februariwarmte

Nader Verklaard
De winter maakt nog steeds geen kans. De komende dagen zijn met 10 tot 12 graden ronduit zacht. De experimentele maandverwachting van het KNMI geeft inmiddels tot eind deze maand weinig hoop op een vorstperiode. Februari is doorgaans een wintermaand waarin het flink kan vriezen, maar soms biedt deze maand al een voorproefje van het voorjaar. De laatste jaren is het in februari steeds bijzonder zacht geweest.

In 1990 was de hele maand extreem zacht, met een gemiddelde van 7,6 graden veruit de zachtste sinds het begin van de metingen in 1706. Normaal (gemiddeld over het tijdvak 1971-2000) bedraagt de temperatuur in De Bilt in februari 3,0 graden, is het hier overdag ongeveer 6 graden en 's nachts 0 graden. Februari 1990 week daar sterk van af: In De Bilt werd het op liefst 16 dagen warmer dan 10 graden en op 4 dagen werd het omstreeks 15 graden. Op 20 februari 1990 zijn verscheidene eeuwrecords gevestigd: in De Bilt kwam de temperatuur het hele etmaal niet lager dan 11,8 graden en bedroeg de gemiddelde temperatuur over 24 uur, het etmaalgemiddelde genoemd, 14,0 graden.
Het weerstation Oost-Maarland in het zuiden van Limburg noteerde op 24 februari 1990 een temperatuur van 20,4 graden, voor ons land de hoogste in februari gemeten temperatuur van de eeuw. Het eeuwrecord van De Bilt is ouder: 17,3 graden op 28 februari 1959.

De zachtste dagen komen meestal aan het einde van de maand voor, wanneer de zon sterk aan kracht wint, maar voorjaarsachtige temperaturen komen soms ook al eerder in februari voor. In De Bilt is op 2 februari 2002 een temperatuur van 15,5 graden gemeten en 16,6 op 4 februari 2004.
Omdat de warmte in de winter meestal samenhangt met een sterke aanvoer van zachte lucht kan het ook 's nachts heel zacht blijven.

In 2001 leverde het zachte februariweer een nieuw record op voor de eerste decade. Op 7 februari 2001 noteerde De Bilt een nachtelijke minimumtemperatuur van 9,0 graden. Het vorige record voor de minimumtemperatuur in deze periode van 10 dagen was 8,8 graden op 2 februari 1967. Ook februari 2000 bood een voorproefje van de lente. De eerste tien dagen van de maand waren op twee na de warmste van de 20e eeuw. In De Bilt kwam de gemiddelde temperatuur uit op 7,5 graden. Alleen de eerste februaridecades van 1957 (8,2) en 1990 (7,9) waren nog warmer.

KNMI

Februari in Nederland

Nader Verklaard
Voor de oude Romeinen was februari de laatste maand, genoemd naar Februare, wat reinigen betekent. Vóór het nieuwe jaar werden de schulden vereffend. Daarom was dit de tijd voor de verzoenings- of reinigingsfeesten. Februari ook de schrikkelmaand door de (extra) schrikkeldag die sinds de kalenderhervorming door Julius Caesar in 46 v. Chr eens in de vier jaar werd toegevoegd. Bovendien is dit de maand waarin de wijngaarden worden gesnoeid, de sprokkelmaand. In Nederland is het de maand met de koudste nachten: als de dagen lengen, gaan de nachten strengen. Het minimum gemiddeld over vijftien weerstations en berekend uit dertig jaar metingen (1971-2000) is -0,1 graden. In de andere maanden ligt dat boven nul. Verspreid over het land loopt het minimum uiteen van -0,8 graden in Eelde tot +1,7 graden in Vlissingen. Het zuidwesten heeft gewoonlijk 8 dagen met vorst, het oosten 14 of 15. Op 5 dagen vriest het hier meer dan 5 graden, op 2 dagen meer dan 10 graden. Op 3 of 4 dagen blijft het in het binnenland de hele dag onder nul. Gewoonlijk is het overdag gemiddeld over de maand zo'n 5 tot 6 graden, maar aan het eind van de maand is het ruim een graad warmer dan in het begin.

Het toenemend aantal zonuren is overdag goed merkbaar aan de temperatuur en natuurlijk ook meetbaar. Uit stralingsmetingen blijkt dat de zon in deze maand zo'n 78 uur schijnt tegen 51 uren in januari en 42 in december. Op 8 dagen schijnt de zon niet wat de helft is van het aantal zonloze dagen in december. Het aantal zonuren neemt niet alleen toe door de grotere daglengte maar ook het weer is zonniger. De zon schijnt 28% van de tijd dat ze kan schijnen, in december is dat maar 17%. De komende maanden wordt het weer er alleen maar beter op en komen we tot percentages van meer dan 40%.

Ook met de neerslag is het gunstig gesteld: met landelijk gemiddeld 45 mm is het normaal een van de droogste maanden. Op 9 dagen valt er 1 mm of meer en op 1 dag regent het hard met 10 mm of meer. Op 6 dagen vallen er sneeuwvlokken, op 2 dagen wordt hagel waargenomen en op 1 dag onweert het. Februari maakt nog duidelijk deel uit van het stormseizoen. Op 5 dagen waait het krachtig (windkracht 6) of meer, op 1 dagen windkracht 7 of meer. Pas laat in het voorjaar nemen de stormkansen duidelijk af; ook in de lente kan nog stormen.

Bron: KNMI en Klimaatatlas van Nederland

La Niña

Nader Verklaard
Vaak horen we berichten over El Niño (relatief warm water in de oostelijke Stille Oceaan) maar momenteel is sprake van tegenhanger La Niña. Op de Stille Oceaan is nu het koele water op satellietfoto’s duidelijk zichtbaar voor de kust van Ecuador en Peru en verder langs de evenaar.

Het was daar in oktober 2007 tot drie graden kouder dan normaal: een sterke La Niña (het meisje). Sinds 1870 zijn er 6 oktobermaanden geweest waarin de zeewatertemperatuur nog lager lag was, dus deze sterkte komt ongeveer eens in de 20 jaar voor.

La Niña duurt meestal een paar maanden tot bijna een jaar. Het verloop is nu goed te voorspellen tot voorjaar 2008. Zowel de Europese als Amerikaanse modellen gaan er van uit dat La Niña nu ongeveer op zijn maximum zit en aan het eind van de lente weer zo goed als verdwenen zal zijn. Globaal heeft La Niña het tegenovergestelde effect van een El Niño. Op de weerkaart betekent dat grof geschetst een hogedrukgebied voor de kust van Peru en lage druk bij Indonesië.

De effecten van een La Niña zijn geringer dan die van een El Niño en beperken zich voornamelijk tot de winter. Het hogedrukgebied bij Peru zal dan zorgen voor droog weer, maar dat is daar normaal. Heel anders dus dan de zware regen en overstromingen waarmee Peru in de El Niño-tijd te maken heeft. Het Caribisch gebied krijgt tijdens een La Niña in het algemeen meer tropische orkanen te verwerken dan tijdens een El Niño. Op grote hoogte waait het hier dan minder en kunnen de wolkencomplexen waaruit hurricanes ontstaan, torenhoog uitgroeien.

El Niño’s en La Niña’s variëren in sterkte, zo was de La Niña van 1987 veel krachtiger dan die van 1995 en de laatste El Niño was met temperatuurafwijkingen van zes graden boven het langjarig gemiddelde één van de sterkste van de eeuw. Gemiddeld eens in de zeven jaar komt er een sterke El Niño voor en daar tussen is de toestand normaal of La Niña-achtig. Sinds de jaren zeventig zijn er echter opvallend veel El Niño’s geweest, waaronder twee zeer sterke (1982/1983 en 1997/1998). Nu is er weer een koudere La Niña, maar in Nederland zullen we er weinig van merken. De invloed van deze fenomenen op ons weer is nihil: van een La Niña merken we hier helemaal niets.

KNMI

Januariwarmte

Nader Verklaard
Hoge temperaturen in de winter hangen vrijwel altijd samen met een harde wind of storm. Stormdepressies brengen grote hoeveelheden lucht in beweging en bij nadering van zo'n lagedrukgebied wordt meestal zachte lucht aangevoerd. In deze tijd zijn extreem hoge temperaturen dan ook niet in de eerste plaats het gevolg van de zon, maar worden deze bereikt door aanvoer van zachte lucht. Daarom kan de hoogste waarde van de temperatuur in de winter op elk moment van de dag worden bereikt of zelfs midden in de nacht voorkomen.
Onder daarvoor gunstige weersomstandigheden kunnen in januari in ons land temperaturen van 10 tot 14 graden worden gemeten. Normaal (gemiddeld over het tijdvak 1971-2000) loopt de maximumtemperatuur uiteen van 5 graden begin januari tot 6 graden aan het einde van die maand. De minimumtemperatuur ligt in deze tijd van het jaar normaal dichtbij het vriespunt.

Het KNMI registreerde op 13 januari 1993 in De Bilt een maximumtemperatuur van 15,1 graden en dat was hier voor januari de hoogste temperatuur sinds het begin van de metingen in 1854. In het zuiden van ons land zijn in januari in de 20e eeuw nog hogere temperaturen gemeten van 15 à 16 graden. Op 16 januari 1947 werd in Maastricht een maximumtemperatuur gemeten van 17,2 graden, warmer is het in ons land in deze tijd van het jaar in de 20e eeuw nooit geworden. Het feit dat ruim drie weken later de Elfstedentocht werd gereden maakt dit warmterecord nog unieker.

Omdat er bij een sterke aanvoer van zachte lucht in januari in de regel weinig verschil is tussen de temperatuur 's nachts en de temperatuur overdag kan de temperatuur dan in zeldzame gevallen een heel etmaal boven de 10°C blijven. Op 9 januari 2007 werd in De Bilt een minimumtemperatuur gemeten van 11,8°C, het hoogste januari-minimum sinds tenminste 1901.

Zowel 1998, 1999, 2005 als 2007 begonnen extreem zacht met nieuwe records. Op 9 januari 2007 registreerde De Bilt 13,7 graden, op 5 januari 1999 13,5 graden. Oost Maarland meldde toen 16,4 graden; niet eerder was het zo vroeg in het jaar al zo warm. In het zuiden van het land lagen de temperaturen drie dagen achtereen rond 15 graden. In januari 1998 duurde de warmtegolf langer: over de eerste tien dagen van januari 1998 berekende het KNMI 7,7 graden, een gemiddelde dat ook in de eerste decades van januari 1916 en 1988 werd gehaald. In 2005 waren de eerste 10 dagen met 8,1 graden als gemiddelde nog zachter, maar het record voor begin januari staat op naam van 2007 met gemiddeld 8,8 graden.

© KNMI

Januari in Nederland

JanuskeycockNader Verklaard
De naam januari is afgeleid van Janus, de Romeinse God van deuren en poorten en van alle begin. In afbeeldingen heeft hij meestal een sleutel om de poort van het nieuwe jaar te openen. Hij wordt echter afgebeeld met twee gezichten: het ene gericht op de toekomst, het andere naar het verleden. De maand wordt ook wel louw- of looimaand genoemd, waarin men zich bezighield met het looien en klaarmaken van huiden van in het najaar geslachte dieren. Andere benamingen die inspelen op de kou zijn wolfsmaand (de wolven verlieten dan vroeger de bossen), hardmaand (wat slaat op strenge kou) en ijsmaand.

De eerste maand biedt ook vaak ijs en is in het grootste deel van het land ook de koudste van het jaar. Behalve aan de kust, waar februari nog een of twee tienden van graden kouder is. Oorzaak is het langzaam afkoelende water van de Noordzee dat pas later in de winter het koudst is. Landelijk bedraagt de etmaaltemperatuur (24 uurs gemiddelde over het tijdvak 1971-2000) 2,9 graden. Het minimum gemiddeld over het land is 0,4 graden, het maximum 5,1 graden. De verschillen tussen kust en binnenland zijn groot: zo bedraagt het gemiddelde minimum in Vlissingen 1,9 graden, terwijl dat in Eelde -0,8 graden is.

De verschillen komen ook in het aantal vorstdagen tot uiting: aan zuidwestkust zijn dat er 7, in het midden en oosten 14. Hier zijn zelfs 2 dagen met meer dan 10 graden vorst normaal. Landinwaarts vriest het op 4 of 5 dagen de hele dag, aan zee op 3 dagen. Door het soms koude weer valt de neerslag op 5 tot 8 dagen als sneeuw. Het meeste valt op de hoge Veluwe waar januari 85 mm regen of sneeuw oplevert. In Zeeland, Limburg en Brabant valt ongeveer 60 mm verspreid over 60 tot 70 uur. Op 13 dagen valt 1 millimeter of meer, op 1 of 2 dagen valt er meer dan 10 mm en op 2 dagen wordt hagel waargenomen.

Onweer komt door de lagere temperaturen in januari weinig voor, gewoonlijk op 1 dag en meestal blijft het dan bij een enkele donderklap. Door de lage wolkenbasis in de winter is dat echter vaak een rake klap en is de kans op een inslag relatief groot. Aan de kust is de onweerskans in januari onder invloed van het warme zeewater iets groter dan landinwaarts. Mist met een zicht van minder dan 1000 meter komt op gemiddeld 6 tot 9 dagen voor en de zon schijnt zo'n 45 tot 55 uur, het meest aan de kust. Daarmee is januari iets zonniger dan december, de somberste maand van het jaar. De wind waait met gemiddeld 3 meter per seconde (matig), maar normaal biedt januari ook een stormachtige dag met windkracht 8 of meer.

Bron: KNMI en Klimaatatlas van Nederland

Gladheid

Nader Verklaard
Wanneer de temperatuur tot enkele graden boven het vriespunt daalt kan zich op de grond al ijs vormen die aanleiding geeft tot gladheid. Op een heldere avond koelt het aan het aardoppervlak als regel het sterkst af, zodat het daar dan het eerst tot vorst komt. Of het ook glad wordt hangt af van een groot aantal factoren.

Niet alleen de vochtigheid en water op de weg zijn van belang, maar ook de wind en vooral de hoeveelheid warmte in de grond kunnen van grote invloed zijn. Op bruggen en opritten wordt het eerder glad omdat daar geen warmte van de ondergrond wordt aangevoerd. Na een vorstperiode, als de vorst nog in de grond zit, zal het juist op andere plaatsen van het wegdek eerder vriezen. Dit wordt ook wel opvriezing genoemd.

Weggedeelten die in de schaduw van bomen of andere obstakels liggen kunnen langer glad blijven. Andere factoren die een rol spelen bij het optreden van gladheid zijn de verkeersintensiteit en eventuele zoutresten op de weg.

De weerbedrijven stellen gladheidsverwachtingen op voor afzonderlijke delen van de weg. In opdracht van Rijkswaterstaat zijn langs de wegen sensoren, waarmee 's winters de temperatuur en het zoutgehalte van het wegdek worden gemeten. Op grond van deze gegevens en de verwachtingen kunnen de wegbeheerders bepalen waar gestrooid moet worden.

Gladheid is heel verraderlijk, omdat het heel plotseling en zeer plaatselijk kan optreden. Het wordt niet alleen glad door sneeuw- of hagelbuien en ijzel, maar ook door bevriezing bij helder weer. Het is van het grootste belang de waarschuwingen voor gladheid niet in de wind te slaan en snelheid en rijgedrag aan te passen.

KNMI

Dooi

Nader Verklaard
Na een vorstperiode zit de vorst nog een tijd in de grond, waardoor het aan het aardoppervlak bij helder weer in de nacht weer snel zal vriezen. Deze verraderlijke vorm van gladheid, die zeer plotseling kan optreden, wordt opvriezing genoemd. De weggebruiker dient dus ook na de vorstperiode bedacht te zijn op gladheid of mist.
Het begrip "dooi" wordt alleen gebruikt na een vorstperiode tot ongeveer één etmaal na het einde van de vorst. Eventueel wordt de dag daarna nog gesproken van aanhoudende- of doorzettende dooi. Loopt de temperatuur niet verder op dan 4 graden boven het vriespunt, dan wordt dat lichte dooi genoemd. Dooi is voor het verkeer heel gevaarlijk, niet alleen door de kans op sneeuw of ijzel, maar ook vanwege de grote kans op mist of gladheid.

Doorzettende dooi
In het overgangsgebied met de zachtere lucht kan zich een neerslaggebied vormen en afhankelijk van de snelheid waarmee de dooi intreedt kan er eerst sneeuw vallen, die overgaat in natte sneeuw (dikkere vlokken) of regen. Zet de dooi niet door dan kan de neerslag opnieuw in sneeuw overgaan. Bij een snelle dooi-inval begint het vaak meteen te regenen, waarbij de druppels in de vrieslucht of op het aardoppervlak bevriezen. In de weerberichten wordt dit ijzel genoemd. Voor het wegverkeer is dat heel gevaarlijk: een geringe hoeveelheid regen kan onder deze omstandigheden de wegen al zeer glad maken.

KNMI

Begin van de winter

Nader Verklaard
22_december_2007Op zaterdag 22 december 2007 om 7.08 uur MET begint officieel de winter van 2007/2008. Meestal begint de winter op de 21e december en ook in 2008 is dat weer het geval.

De benaming winter is een samentrekking van water en wit, verwijzend naar de witte wereld. Vooral vroeger, met name in de Kleine IJstijd tussen circa 1430 en 1850, was ons land soms maanden achtereen in de ban van sneeuw en ijs, maar het is ook het seizoen van water, overstromingen en storm.

De zon staat op de eerste dag van de winter loodrecht boven de Steenbokskeerkring. De verschillen in tijdstippen en soms ook data zijn het gevolg van het feit dat het tropisch jaar (het jaar waarop de kalender is gebaseerd) geen geheel aantal dagen telt, en van het invoeren van de schrikkeldag. De zon staat bij het begin van de winter het laagst boven de horizon, komt die dag in Midden-Nederland om ongeveer kwart voor negen op en gaat om half vijf onder. Deze dag is de kortste van het jaar, maar dat betekent niet dat de zon dan het laatst opkomt en het vroegst ondergaat. Al vanaf 13 december gaat de zon later onder en pas op 30 december blijft het 's ochtends het langst donker. Dat komt doordat de aardbaan rond de zon niet cirkelvormig is, waardoor de zon in de winter schijnbaar iets sneller beweegt dan in de zomer. Het gevolg is dat de zon nu dagelijks iets later door het zuiden gaat. Ook de daglengte (het verschil in tijdstip van opkomst en ondergang van de zon) is afhankelijk van de geografische breedte.
De eerste drie weken van de meteorologische winter (december, januari en februari), wordt het steeds donkerder, maar na de winterzonnewende, op 21 of 22 december, worden de dagen in het noorden weer langer.

De gemiddelde wintertemperatuur loopt uiteen van 2,4 graden in het noordoosten tot 4,2 graden in het zuidwesten. In de oostelijke helft liggen de nachtelijke temperaturen gemiddeld enkele tienden van graden onder nul, in het westen een paar graden boven nul. Vlissingen telt in de drie wintermaanden 20 dagen met vorst tegen 42 vorstdagen in Eelde. Op 15 dagen vriest het hier matig (lager dan -5 graden) en op 5 dagen streng (lager dan -10 graden). Op 10 tot 12 dagen vriest het in het noorden en oosten de hele dag. Vlissingen telt 6 ijsdagen, maar in noordelijke richting neemt het aantal ook aan zee toe tot 9 ijsdagen in Den Helder.

De winter is het seizoen met de meeste uren neerslag. In drie maanden valt er landelijk gemiddeld gedurende 195 uur regen of sneeuw tegen 114 uur in de zomer. Toch is de winter niet het natste jaargetijde. Landelijk valt er 186 mm, dat is 45 mm minder dan in het najaar.
Het midden van het land, rond de Utrechtse heuvelrug, is 's winters het natste gebied. In Beekbergen valt 243 mm. Zeeland is met ruim 160 mm in Noordgouwe (Schouwen Duiveland) een stuk droger. De landelijke verdeling van de neerslag toont echter een grillig patroon, deels samenhangend met het reliëf. De hoogste delen van het land vangen doorgaans de meeste neerslag. Zo krijgt in Zuid-Limburg het hogergelegen Vaals in 233 mm winterneerslag, terwijl Echt in Noord-Limburg slechts 163 mm opvangt. Het aantal sneeuwdagen loopt in de winter uiteen van 13 in het zuidwesten tot 21 in het oosten.

De zon schijnt in drie maanden gemiddeld tussen 160 en 180 uren, het meest in het westen. Gewoonlijk laat de zon in het donkerste seizoen op 37 dagen geheel verstek gaan, terwijl de zomer landelijk maar 5 zonloze dagen telt. Op 5 dagen schijnt de zon de hele dag (meer dan 80% van de mogelijke duur) tegen 10 zeer zonnige dagen in het voorjaar. De winter is ook het seizoen van de grote stormen. Landelijk gemiddeld stormt het op 1 dag, maar aan de kust is het gewoonlijk op 4 tot 6 dagen stormachtig met windkracht 8 of meer.

De seizoensverschillen vinden hun oorzaak in de schuine stand van de as waar de aarde om draait. Hierdoor staat de zon op het Noordelijk Halfrond in de winter lager boven de horizon dan in de zomer. De zon beschrijft 's winters een kortere baan boven de horizon dan 's zomers en is vooral daardoor maar weinig uren zichtbaar. Hoe noordelijker, hoe korter de zon boven de horizon staat. In het gebied noordelijk van de Poolcirkel is de zon in deze periode gedurende een paar maanden in het geheel niet zichtbaar. Zelfs binnen de grenzen van ons eigen land is dat verschil in daglengte al merkbaar: vandaag duurt de dag in het uiterste noorden Nederland ongeveer 20 minuten korter dan in het uiterste zuiden.

Bron: KNMI en klimaatatlas van Nederland

Mistvorming

Nader Verklaard
Bewolking die zich aan het aardoppervlak bevindt en het zicht beperkt tot minder dan 1000 meter wordt mist genoemd. Grondmist of laaghangende mist is mist beneden ooghoogte. Mist kan zich vormen door afkoeling van zeer vochtige lucht of door menging van koude met warme vochtige lucht. De benamingen die in de meteorologie aan mist worden gegeven verraden de omstandigheden waaronder de mist ontstaat

Stralingsmist vormt zich boven een weiland door uitstraling bij helder weer, waarbij na zonsondergang het aardoppervlak afkoelt. De koudere en zwaardere lucht stroomt op een enigszins hellend weiland in de richting van een sloot, waar door menging met vochtige lucht slootmist ontstaat. De plaatselijke mist bereidt zich meestal snel uit, zodat de voor het verkeer zo verraderlijke mistbanken ontstaan.

Boven een sneeuwdek kan bij lage temperaturen tegen zonsondergang stralingsmist ontstaan, die zeer dicht kan worden en het zicht plaatselijk tot minder dan 10 meter kan beperken. Door aanvriezing van mist en bevriezing van natte weggedeelten kan het bovendien glad worden, zodat het voor het verkeer zeer gevaarlijk is. Ook bij invallende dooi vormt zich mist boven een sneeuwlaag, omdat de zachtere lucht dan over de koude sneeuw stroomt. De mist ontstaat bij aanvoer van de zachte lucht zodat er ook behoorlijk waait.

Mist ontstaat boven zee wanneer koude lucht over relatief warm zeewater stroomt of wanneer warme lucht in aanraking komt met een koude zee. In het voorjaar en het begin van de zomer kan bij aanvoer van warme lucht uit Zuid-Europa boven de koude Noordzee een uitgestrekt mistgebied ontstaan. Als de aflandige zuidoostelijke wind niet sterk is gaat langs de kust in de loop van de middag een wind van zee waaien, zodat de mist landinwaarts drijft. Deze plotseling van zee opkomende mist wordt zeevlam genoemd. Een oude benaming afkomstig van zeelieden die de mist in noordelijk gelegen arctische gebieden zagen onder het Noorderlicht. Ze dachten dat de zee in lichterlaaie stond en spraken ook wel van arctische zeerook.

Regenmist kan ook ontstaan als het regent uit warmere lucht die op enige hoogte in de atmosfeer wordt aangevoerd, terwijl het aan het aardoppervlak nog koud is. De warmere regen valt dan door de koude lucht waarin zich mist vormt. Regenmist ontstaat ook als na een hevige bui de zon doorbreekt en er weinig wind staat. In het felle zonlicht zien we dan de damp van straten en daken komen.

© KNMI

Decemberwarmte

Nader Verklaard
Wind en warmte horen in december bij elkaar: hoge temperaturen hangen in deze tijd van het jaar samen met een sterke aanvoer van subtropische lucht. Als het zacht is waait er ook meestal een krachtige wind. De minder sterke zon doet er nu veel minder toe en de maximumtemperatuur kan in de winter op elk tijdstip van de dag en zelfs midden in de nacht worden gemeten.
Onder extreme omstandigheden kan de temperatuur in december tot ongeveer 15 graden oplopen, een waarde die de laatste jaren in december herhaaldelijk is bereikt. Voor deze maand zijn dat zeer hoge temperaturen, want normaal ligt de maximumtemperatuur in december rond 6 graden en de minimumtemperatuur rond 1 graad. De eerste tien dagen van december 2000 waren met gemiddeld 9,9 graden in De Bilt de warmste in zeker honderd jaar.

Op 24 december 1977 liep het kwik in de avonduren op tot 15,3 graden, de hoogste temperatuur ooit in De Bilt in deze maand gemeten. Op de vooravond van kerst werd toen in Eindhoven bij stormachtig weer 16,2 graden bereikt, maar eerder in december zijn in Limburg nog hogere temperaturen gemeten. Op 16 december 1989 werd in het uiterste zuiden van Limburg 17,2 graden gemeten en op 4 december 1953 registreerde het weerstation in het Limburgse Buchten 17,8 graden.

Ook in de decembernachten kan het dus heel zacht zijn en soms blijft de temperatuur een heel etmaal boven de 10 graden. Het record van de minimumtemperatuur in De Bilt is 12,2 graden op 12 december 2000. Het etmaalgemiddelde bleef die dag met 13,1 graden net onder het record van 13,3 graden op 21 december 1989. Op 5 december 2006 werd in De Bilt een maximumtemperatuur van 15,0 graden gemeten, het record voor de eerste tien dagen van december. Het Biltse record voor de tweede decade is 14,7 graden op 18 december 1987 en het warmterrecord voor de maand viel dus in de derde decade.

KNMI

December in Nederland

Nader Verklaard 
In de Romeinse tijd was december de tiende maand (decem was latijn voor tien), tegenwoordig is het de twaalfde en laatste maand van het kalenderjaar en de eerste maand van de meteorologische winter. December heeft de kortste dagen maar is nog niet de koudste maand van het jaar. Het winterseizoen begint meestal op 21 en soms op 22 december.
Voor weerkundigen is het winter zodra december op de kalender verschijnt. Een wisselende begindatum voor de seizoenen is lastig voor klimatologische vergelijkingen. Bovendien kan het begin december al echt winters zijn met vorst en sneeuw, terwijl later in de maand vaak de dooi invalt, het kerstdooiweer. Een sluitende verklaring ontbreekt en die volgorde gaat ook lang niet altijd op.

Het einde van de maand is 1 tot 1,5 graden kouder dan het begin. Gemiddeld over december loopt de temperatuur in ons land uiteen van 5,0 graden in Zeeland tot 3,0 in oosten van Drenthe. De nachtelijke minima variëren van 3,5 in Zeeland tot 0,5 á 1,0 graden in het oosten, de maxima overdag liggen tussen 7,0 graden aan zee en 5,5 in het oosten. Hier telt december 13 dagen met vorst, in Vlissingen onder invloed van het relatief warme zeewater slechts 5. In het westen blijft het in deze maand gemiddeld op 1 of 2 dagen de hele dag vriezen, terwijl in het oosten 3 ijsdagen geen uitzondering zijn. Een nacht met strenge vorst (lager dan -10) is op verschillende plaatsen in het binnenland ook heel gewoon.

Gemiddeld over het land valt er in deze maand 79 mm neerslag gedurende 73 uur verspreid over 22 dagen. Meestal is dat regen maar op vijf dagen valt de neerslag in de vorm van (natte) sneeuw. In de volgende wintermaanden zijn de sneeuwkansen nog iets groter, maar de hoeveelheid en duur van de neerslag nemen af. De hoge Veluwe is in december het natste gebied met gemiddeld 95 mm. Het midden van Limburg en het oosten van Groningen krijgen 70 mm. Onweer wordt gemiddeld op 1 dag gehoord maar in het westen is de onweerskans iets groter dan in het oosten en zuiden. Op 3 dagen valt er hagel en gewoonlijk telt de maand 6 tot 10 mistdagen. Normaal telt de maand 2 dagen met ijsvorming, maar de meeste decembermaanden gaan voorbij zonder schaatsweer.

De zon schijnt 40 tot 45 uur, waarmee december de "donkerste" maand van het jaar is. Gewoonlijk gaat ongeveer de helft van de dagen voorbij zonder zon. De wind waait met gemiddeld 3 meter per seconde, een matige wind, maar meestal is er wel een dag met een stormachtige wind van windkracht 8 of nog meer.

Bron: KNMI en Klimaatatlas van Nederland

Avondrood

Nader Verklaard
27_november_031"Avondrood, mooi weer aan boord, morgenrood, regen in de sloot". Een spreuk die ten dele waar is. Het blijkt in 60% van de gevallen mooi weer te worden als de hemel 's avonds onbewolkt en rood gekleurd is. Niet zo raar ook, want het mooie weer (onbewolkt dus!) komt in Nederland meestal uit het westen. Maar in 80% van de gevallen bleef het gewoon droog terwijl de ochtendhemel rood gekleurd was. De avondrood uitspraak komt dus vaak uit, maar de ochtendrood regel heeft weinig voorspellende waarde.

© KNMI

Morgenrood

Nader Verklaard
27_november_024De fraaie kleuren bij zonsopkomst en -ondergang hangen samen met de lange weg die de stralen van de lage zon door de atmosfeer afleggen. Het zonlicht wordt tijdens deze lange route verstrooid en gebroken door stofdeeltjes of waterdamp. Daardoor wordt het van nature witte zonlicht ontleed in verschillende kleuren. Het rode licht wordt het minst verstrooid en blijft vaak zichtbaar. 's Ochtends zweeft er meestal nog niet zoveel stof in de lucht. Is de lucht dan rood dan wijst dat in de regel op waterdamp en een hoge luchtvochtigheid. Vandaar de oude weerspreuk "Morgenrood, water in de sloot".

© KNMI

Natuurrampen

Nader Verklaard
De laatste jaren worden we steeds meer geconfronteerd met de gevolgen van natuurrampen door extreem weer, zoals overstromingen, stormvloeden, hurricanes en droogte.
Dat roept de vraag op of de wereldwijde opwarming van het klimaat een rol speelt. Wetenschappelijk is dat moeilijk aan te tonen. Extreme weersverschijnselen komen immers relatief weinig voor en de meetreeksen zijn maar kort. Toch gaan onderzoekers er tegenwoordig van uit dat het aantal weerrampen toeneemt. Tussen 1900 en 1940 schatten experts uit Indonesië het aantal natuurrampen wereldwijd op 100 per decennium. Dat liep op tot 650 tussen 1960 en 1970, 2000 tussen 1980 en 1990 en 28.00 tussen 1990 en 2000.

Ook andere factoren spelen echter een rol in onze beeldvorming over natuurrampen. Bijvoorbeeld de toegenomen invloed van de media. Stel dat er een eeuw lang ieder jaar precies honderd natuurrampen gebeuren. In het begin van de eeuw kwamen er misschien tien de gewone man ter ore. In 1925, toen de krant in opmars kwam, waren dat er wellicht twintig, in 1940 werden het er misschien veertig door de radio, en de TV brengt in de jaren negentig iedere ramp, waar ook in de wereld, in onze huiskamer. Ook bij een gelijkblijvend aantal rampen kan door de media de indruk worden gewekt dat het aantal is toegenomen.

Niet alleen de media zijn veranderd, ook de samenleving is kwetsbaarder. Vroeger woonden er weinig mensen aan zee, maar nu woont volgens de Wereld Meteorologische Organisatie ongeveer de halve wereldbevolking aan of nabij de kust. Overstromingen door stormen brengen jaarlijks tientallen miljoenen mensen in gevaar. De zeespiegelstijging maakt dat risico nog groter. Bovendien is door de grotere welvaart de materiële schade bij extreem weer toegenomen.

Veel ellende kan voorkomen worden door waarschuwingen en evacuaties. In de VS is het aantal hurricane-slachtoffers dankzij adequate waarschuwingen de laatste decennia sterk afgenomen; hurricane Katrina vormt daarop een uitzondering.
Meteorologische instituten, zoals het KNMI, richten hun aandacht vooral op het verbeteren van waarschuwingen en de communicatie. Europa heeft met www.meteoalarm.eu een overkoepelende website voor officiële waarschuwingen bij gevaarlijk en extreem weer.

KNMI

Admiraal Beaufort

Nader Verklaard
Sir_francis_beaufortDe in Ierland geboren schout bij nacht Sir Francis Beaufort (1774-1857) is bekend om zijn windschaal. Beaufort bedacht de schaal al in 1805. Tussen 1831 en 1835 werd de windschaal officieel gebruikt tijdens de Beagle-expeditie en was verplicht sinds 1838 op all Captains and Commanding Officers of Her Majesty's Ships and Vessels.

Het had weinig gescheeld of de windschaal had niet bestaan. In 1795 was Beaufort als jonge officier bijna verdronken in de haven van Portsmouth. De bijna-dood ervaring daagde hem uit tot zijn latere prestaties, waaronder de uitwerking van de windschaal. Beaufort baseerde de windkracht op de hoeveelheid zeil die een groot schip kon voeren bij een zwakke bries, storm of orkaan. De winddruk werd uitgedrukt in kilogram per vierkante meter. De schaal geldt dus voor de druk van de wind. Beaufort was de eerste die orde in de chaos bracht: tot rond 1840 hanteerden zeelieden hun eigen aanduidingen voor de windkracht, die van vader op zoon werden overgeleverd.

In de jaren veertig van de 19e eeuw kreeg Beaufort bekendheid met zijn windschaal, maar het duurde het tot 1873 voor die internationaal aanvaard werd. Beaufort heeft dat zelf niet meer meegemaakt en geen weet gehad van het belang van zijn vondst. Tegenwoordig is de schaal van Beaufort een uitgebreide dertiendelige schaal met de gevolgen van wind op zee en boven land. Rond 1900 beschreef admiraal William Peterson de gevolgen van de wind boven zee, zoals korte kleine golven bij een zwakke wind van windkracht 2, hoge golven met zware schuimstrepen bij storm, windkracht negen en een lucht vol schuim en verwaaid zeewater bij orkaankracht 12.

In 1906 werd vastgesteld bij welke gemiddelde windsnelheid (gemiddeld over tien minuten) de twaalf zeetoestands-klassen behoren. Later zijn beschrijvingen toegevoegd van de gevolgen van de wind boven land. Zo kennen we tegenwoordig de schaal van Beaufort als een windschaal die aangeeft dat bij windkracht 5 bebladerde takken zwaaien en bij windkracht 8 twijgjes afbreken en lopen lastig is. Bij windkracht 10, een zware storm, worden bomen ontworteld en kracht 11, een zeer zware storm, leidt tot zware schade in steden en bossen.

Tegenwoordig bestaan er ook biologische windschalen voor de invloed van de wind op dieren en planten, uitgewerkt door de Engelse bioloog Lyall Watson. Bij windstilte bijvoorbeeld zijn alle vogels in de weer, maar bij windkracht 9 wagen alleen zwaluwen en eenden zich in de lucht en blijven insecten aan de grond. Vanaf windkracht 10 blijven alle vogels aan de grond.

© KNMI

Schaal_van_beaufort_4    

Najaarsbuien

Nader Verklaard
In de herfst zijn buien langs onze kust in de regel talrijker en zwaarder dan in het binnenland. Oorzaak is het nog relatief warme water van de Noordzee, doordat de zee de warmte van de zomer nog geruime tijd vasthoudt en maar langzaam afkoelt. De hoge temperatuur van het zeewater is in koude vochtige lucht een belangrijke voedingsbron voor buien.

Vooral wanneer koude, uit de poolstreken afkomstige lucht naar onze omgeving wordt gevoerd vormen zich boven de Noordzee talrijke buien, die vooral in de kustprovincies actief zijn. Boven het koudere land neemt de activiteit van die buien in de regel sterk af, zodat het langs de kust in het najaar een stuk natter is dan in het binnenland.

Zo valt er in de kop van Noord-Holland en op de Wadden in de herfst normaal (gemiddeld over 1971-2000) 260 tot 300 millimeter neerslag tegen circa 200 millimeter in de Achterhoek en Limburg. Dit in tegenstelling tot het voorjaar wanneer het binnenland in drie maanden zo'n 30 tot 50 millimeter meer regen ontvangt dan de kust.

Ook de kans op onweer is in de drie herfstmaanden september, oktober en november aan de kust groter dan in het binnenland. Op de weerstations langs de Zuid- en Noordhollandse kust wordt in het najaar op gemiddeld 10 of 11 dagen onweer gehoord, terwijl het in die periode in de Achterhoek en in Zuid-Limburg normaal op 3 of 4 dagen onweert. Het weerlicht van buien boven de Noordzee en aan de kust is bij duisternis in de heldere poollucht vaak tot ver landinwaarts te zien.

De grotere activiteit van najaarsbuien aan de kust komt ook tot uiting in de kans op hagel. In Den Helder gaan de buien in de herfst op normaal 8 dagen vergezeld van hagel, terwijl in Brabant en Limburg in die periode gewoonlijk op slechts 1 of 2 dagen hagel wordt waargenomen. Op buiige dagen kan het aan de kust heel guur zijn, terwijl het weer in het binnenland tijdens zonnige momenten en uit de wind nog kan meevallen.

KNMI

Hurricane-seizoen

Nader Verklaard
Hurricane is de benaming voor een orkaan in de Verenigde Staten en het Caribisch gebied in de westelijke Atlantische Oceaan. Hier heerst een tropisch klimaat, vandaar dat hurricanes ook wel tropische orkanen worden genoemd. Ze putten energie uit het warme zeewater, wanneer temperaturen worden bereikt van zo’n 26 graden.
Ook in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan groeit een storm soms uit tot een orkaan van windkracht 12 (minstens 118 km/uur), maar hier zijn de omstandigheden niet tropisch en is het water minder warm. De wind haalt hier dan ook bij meestal bij lange na niet de snelheden die een tropische orkaan kan bereiken (120-300 km/uur). Ook de regen is hier veel minder: in tropische gebieden leveren orkanen op grote schaal honderden millimeters, terwijl de regen bij een stormdepressie in onze regio meestal in de tientallen millimeters loopt.

Tropische orkanen komen ook in een andere tijd van het jaar voor dan stormen in Europa. In de Verenigde Staten loopt het hurricane-seizoen van juni tot en met november. Europa kent de zwaarste stormen tussen november en april.
In de Indische Oceaan, men spreekt van tropische cyclonen, begint het cycloonseizoen in september. In de noordelijke Indische Oceaan (met onder meer India) duurt het tot december, in het zuidelijke deel (met Australië) tot mei. In het westen van de Pacifische Oceaan (met Japan de Filippijnen, Vietnam en Oost-China) waar zulke stormen tyfonen worden genoemd duurt het seizoen van mei tot januari, bijna het hele jaar dus. Hier komen de meeste stormen voor: de Filippijnen hebben er zo’n 30 per jaar.
Vlak bij de evenaar komen geen tropische stormen voor. De draaiing van de aarde en de wind op grote hoogte boven de evenaar werken de vorming tegen.

Tropische stormen kunnen grote gevolgen hebben voor de samenleving, en de meteorologen doen er dan ook alles aan de voorspellingen steeds verder te verbeteren. Daarbij wordt niet alleen gebruik gemaakt van satellietwaarnemingen maar ook van vliegtuigen die de toestand verkennen. Door zo’n gevaarlijke storm tijdig aan te kondigen kunnen maatregelen worden genomen en mensenlevens worden gespaard. De weerkundigen maken kansberekeningen die vrij nauwkeurig aangeven hoe snel zo’n storm zich de komende dagen verplaatst, waar ze naar toe gaat en hoe sterk de wind aanzwelt. Belangrijk is vooral de plek waar het centrum aan land gaat. Dat kustgebied wordt het zwaarst getroffen, landinwaarts neemt de wind snel af. De storm mist dan zijn energietoevoer vanaf de warme zee en ook wrijving met het land remt de wind af. Komt de storm daarna weer boven zee dan neemt de kracht meestal weer toe.

Ook worden tegenwoordig al bijna een jaar tevoren verwachtingen gemaakt van de activiteit in het orkanenseizoen. Vooral gegevens van de wereldwijde verdeling van zeewatertemperaturen zijn van belang. In het Caribisch gebied wordt maar net voldaan aan de voorwaarden voor het ontstaan van hurricanes. Een kleine afwijking van de situatie kan grote verschillen opleveren. Vandaar dat daar het ene jaar veel meer hurricanes ontstaan dan het andere. Doorgaans zijn het er echter zo’n 5 tot 10 per jaar. Het jaar 2005 heeft liefst 26 tropische stormen opgeleverd waarvan er 13 het tot hurricane hebben gebracht. Daarmee is het vorige record van 21 tropische stormen in 1933, ruimschoots overtroffen.

KNMI

November in Nederland

Nader Verklaard
November is afgeleid van Novem, voor de oude Romeinen de negende maand. Vroeger was het de maand van de jacht en het slachten van dieren, de jacht-, slacht- of bloedmaand.
Het vaak onstuimige weer heeft november namen opgeleverd als wind- of dolmaand. In de volksmond wordt de derde herfstmaand ook wel nevelmaand genoemd. Opmerkelijk zijn de grote tegenstellingen in het weer. Een nazomers weertype met 20 graden of meer is evengoed mogelijk als strenge vorst met meer dan 10 graden onder nul. November is de natste maand van het jaar met landelijk 79 mm neerslag in 72 uur.

Onbestendigheid is inderdaad troef in november en vaak komt dan de eerste heftige najaarstorm langs. Op 13 november 1972 werd ons land getroffen door een van de zwaarste stormen in zeker honderd jaar. Aan de kust werd minstens een uur windkracht 11 bereikt met windstoten van meer dan 150 km/uur, maar ook boven land spookte het. De schade aan de bossen was enorm. Toch is november nog niet de stormachtigste maand, de komende maanden is de kans op een flinke storm nog groter, al gaan er heel wat winters voorbij zonder storm. Gemiddeld over het land waait het in november op 11 dagen met windkracht 5 of meer, terwijl in de zomer die kracht maar op 6 of 7 dagen wordt bereikt.

De onstuimigheid komt niet alleen in de wind en buienactiviteit tot uiting, ook de temperatuur maakt grote sprongen. Normaal (gemiddeld over 1971-2000 van vijftien weerstations) is een temperatuurgemiddelde van 6,3 graden. Dat is ruim een graad warmer dan in het begin van de 20e eeuw. De uitersten lagen in De Bilt tussen gemiddeld 10,2 (1994) en 1,3 graden (1921). Dat laatste jaar bood in november al winter: op 30 november 1921 werd in De Bilt -14,4 graden gemeten. Een schril contrast met de 21,0 graden op 7 november 1955 in Maastricht.
De temperatuurdaling komt ook in de gemiddelden tot uiting: aan het einde van de maand is het zo'n 4 graden kouder dan in het begin. In het binnenland telt de maand 6 tot 8 dagen met vorst tegen 3 aan de kust. Anderzijds werd het op 1 of 2 dagen nog meer dan 15 graden.

November is de natste maand van het jaar met landelijk 79 mm neerslag in 72 uur. Aan de kust, waar de warme zee zorgt voor meer buien, is ruim 100 mm heel normaal. In het binnenland valt minder, het minst in Limburg met plaatselijk minder dan 60 mm als maandsom. Op gemiddeld 2 dagen sneeuwt het en ook op 2 dagen wordt hagel gerapporteerd. De zon schijnt landelijk 59 uur, ongeveer de helft van de zonneschijnduur in oktober. In december wordt het nog iets somberder maar daarna laat de zon zich weer vaker zien.

Bron KNMI,  Klimaatatlas van Nederland

Bomen over het weer

Nader Verklaard
Bomen ondergaan niet alleen het weer, ze hebben zelf ook invloed op het klimaat. Ze brengen niet alleen schaduw, maar vangen en breken ook de wind. Achter een lage bomenrij liggen de wegen in de luwte. Bovendien zijn bomen verzamel- en verdeelplaatsen voor neerslag, nemen ze vocht op en zorgen ze ook voor verdamping. Bomen in blad verdampen veel water, vooral alleenstaande bomen, waardoor het in de buurt van een boom koeler is.

Herfstkleuren_1Weersomstandigheden spelen ook een belangrijke rol bij het verkleuren van het blad. In het najaar krijgt het blad steeds minder zon. Door minder zon en door lagere temperaturen neemt ook de productie van bladgroenkleurstoffen af. Verkleuring treedt op bij afbraak van deze stoffen. Daarna begint de aanmaak van een kurkachtige stof die de steel van het blad uiteindelijk afsluit van de tak.
De kurkachtige stof zorgt er uiteindelijk ook voor dat het bladsteeltje gemakkelijk van de tak breekt. Bomen in een gematigd klimaat bereiden zich op die manier voor op de winter. Bij vorst vindt er in de boom geen watertransport meer plaats en zouden de bladeren verdorren. Om dat voor te zijn werpen loofbomen in het najaar hun bladerdek af. De meeste bladeren verdwijnen bij de eerste flinke najaarsstorm.

Bomen hebben het door het weer ook zwaar te verduren. Hun scheve stand verraadt het overheersende windklimaat. Storm bevrijdt bomen weliswaar van dode takken, maar een zware storm kan een kaalslag aanrichten. Ook droogte en bliksem eisen slachtoffers. Bij een inslag verliest de loofboom zijn schors, terwijl naaldbomen versplinteren. Dat houdt verband met de sapstroom die door de bliksem wordt verhit. Bij een naaldboom ligt het sap dieper in de stam dan bij een loofboom. Ook ijzel kan schade aanrichten die lang zichtbaar blijft.

Na de winter reageren bomen meteen op de hogere temperatuur vooral als de grond opwarmt. In de wortels neemt dan de druk van de sapstroom toe, waardoor het water naar takken en twijgen wordt gepompt en de bomen weer uitlopen.

Bron: KNMI. Met dank aan Baltus Zwart, bioloog en oud-medewerker KNMI

Eerste vorst

Nader Verklaard
De eerste vorst na de zomer wordt in het binnenland meestal in oktober en vlak langs de kust niet eerder dan november waargenomen. In de 20e eeuw werd de eerste vorstdag in De Bilt drie keer al in september geregistreerd, het vroegst op 16 september in 1971.

In 2000 daalde de temperatuur in De Bilt op 17 december voor het eerst onder nul. Zo'n lange vorstvrije periode is sinds het begin van de metingen in 1854 niet eerder voorgekomen. Het record van de laatste vorstdatum stond op naam van 1970 toen het in De Bilt op 11 december begon te vriezen. Ook landelijk is een nieuw record geboekt: op 16 december 2000 werd in het zuiden van ons land de eerste vorst geregistreerd; het landelijk record stond op naam van 15 november 1984 toen Leeuwarden, Eelde en Twente de eerste vorst boekten.

Van een vorstdag is sprake wanneer de temperatuur op de standaard waarnemingshoogte van anderhalve meter boven het maaiveld onder het vriespunt daalt. Onder extreme omstandigheden zijn in ons land eerder deze eeuw in september minimumtemperaturen gemeten tussen -2 en -4 graden. De uiterste minima in oktober liggen tussen -6 en ruim -8 graden. Oktober telt normaal (dat is gemiddeld over het tijdvak 1971-2000) landinwaarts 1 tot 3 vorstdagen; in november worden in het binnenland gemiddeld 7 of 8 vorstdagen genoteerd, maar soms wordt in die maand al het dubbele aantal gehaald.

Vorst aan de grond
Vlak boven de grond kan het temperatuurverloop echter anders zijn. Op een waarnemingshoogte van 10 centimeter, daalt de temperatuur veel vaker tot onder het vriespunt. Tijdens een windstille en heldere nacht koelt het daar sterker af. Voorwerpen op het aardoppervlak en ook bomen, struiken, bladeren en grassprietjes zenden voortdurend straling uit en verliezen onder die omstandigheden snel warmte.

Wanneer de temperatuur op 10 cm hoogte boven kort geknipt gras tot onder het vriespunt daalt, wordt dat in de weersverwachting aangekondigd als "vorst aan de grond". Dit staat ook wel bekend als nachtvorst, de term die daar vroeger voor werd gebruikt. Bij vorst aan de grond bevriest de in de lucht aanwezige waterdamp. De bevroren druppeltjes zijn als een witte aanslag (rijp) te zien op het gras, lage struiken, de bovenkant van houten hekwerken of daken en ruiten van auto's.

Of het vlak bij de grond ook werkelijk tot vorst komt, hangt behalve van de weersomstandigheden af van verschillende faktoren. Voor de wind beschutte plaatsen zijn er in het algemeen het gevoeligst voor, maar ook van belang zijn bodemgesteldheid, begroeiing en hoogteverschillen. De dalen van Zuid-Limburg  ondervinden bijvoorbeeld meer last van vorst dan de grond op de plateaus.

Vorst aan de grond komt in de winter in De Bilt gewoonlijk op 15 of 16 dagen per maand voor, in maart op 14 dagen, in april op 11 dagen en in mei op 3 dagen. Ook in de zomer komt het lokaal in ons land wel eens tot vorst aan de grond, maar in augustus heeft het in De Bilt nog nooit gevroren. 
In het oosten en noorden van ons land daalt de temperatuur vlak boven het aardoppervlak in oktober op gemiddeld 5 of 6 dagen tot onder nul, maar soms wordt dat aantal in september al overschreden.

Bron KNMI

Buys Ballot, oprichter van het KNMI

Nader Verklaard Buys_ballot_3
Meteoroloog Henricus Didericus Buys Ballot, (10 oktober 1817 - 3 februari 1890), de oprichter van het KNMI in 1854, kreeg internationaal bekendheid door zijn wet. Daarin toonde hij het verband aan tussen wind en luchtdruk. Met de de wind in de rug ligt het lagedrukgebied links, terwijl aan de rechterkant de luchtdruk hoger is. Dat geldt voor het noordelijk halfrond; op het zuidelijk halfrond is dat omgekeerd. De Amerikaan William Ferrel had die wetmatigheid al een jaar eerder op papier aangetoond, maar het lukte Buys Ballot om dat aan de hand van waarnemingen te bewijzen.

Heel knap want zoveel gegevens waren er indertijd niet en de weerkaart moest nog uitgevonden worden. Het archief van Buys Ballot bevat schetsen van de eerste kaarten met vrij actuele informatie over het weer. In 1816 waren er al wel klimaatkaarten met temperatuurgegevens en kaarten waarop stormen werden ingetekend. Buys Ballot gebruikte de weerkaarten om zijn weerberichten te illustreren, het doel waar ze ook tegenwoordig voor gebruikt worden. In 1881 begon hij met de uitgave van dagelijkse weerkaartjes die in Amsterdam in etalages van winkels werden opgehangen en veel bekijks trokken.

De wet van Buys Ballot maakte het mogelijk om weersverwachtingen te maken en ook om te waarschuwen voor storm. In 1864 werden de eerste stormwaarschuwingen gegeven. De weerman ontwikkelde een seinpaal, de aëroklinoskoop, waarmee hij kon aangeven hoe groot het verschil in luchtdruk was tussen het zuiden en noorden van het land. Hoe groter de drukverschillen, hoe harder de wind. Die seinpalen werden op verschillende plaatsen langs onze kust opgesteld. Zo kon de scheepvaart zien of er gevaar was voor storm. Buys Ballot profiteerde van de telegrafie die in 1832 door Samuel Morse was uitgevonden. Daardoor was het mogelijk om gelijktijdige luchtdrukwaarnemingen op verschillende plaatsen snel met elkaar te vergelijken, wat zowel zijn wet als de stormwaarschuwingen mogelijk maakte.

Een belangrijke verdienste van Buys Ballot, die uit teleurstelling na een studie in de scheikunde in het weer terechtkwam, was zijn initiatief tot internationale samenwerking. Door zijn toedoen werd in 1873 het Internationaal Meteorologisch Comité opgericht, waarvan hij president was. Onder zijn leiding werd begonnen met codes om de weergegevens over de hele wereld zonder taalproblemen uit te kunnen wisselen. Ook werden verschillende meteorologische begrippen beschreven en richtlijnen opgesteld voor waarnemingen. Het Internationaal Meteorologisch Comité was de voorloper van de huidige Wereld Meteorologische Organisatie. Dat is tegenwoordig de toonaangevende overkoepelende organisatie voor meteorologische instituten in de hele wereld.

Wat betreft de weersverwachtingen en internationale samenwerking op het gebied van de meteorologie is er in de voetsporen van Buys Ballot veel tot stand gekomen. Het KNMI mag trots zijn op zijn grondlegger Buys Ballot.

© KNMI

Oktober in Nederland

Nader Verklaard
De achtste maand van het Romeinse jaar is genoemd naar octo (acht). Na de kalenderhervorming door Paus Gregorius werd het na 4 oktober ineens 15 oktober om het verschil tussen het zonnejaar en de Juliaanse tijdrekening te corrigeren.
De Romeinen droegen oktober op aan de god en wijnliefhebber Bacchus, vandaar de bijnaam wijnmaand. Dit is ook de tijd van de wijnoogsten.
Oktober werd voorheen ook wel aarselmaand genoemd vanwege de aarzeling tussen herfst en winter. Het is een echte overgangsmaand met soms nog zomers weer maar soms ook sneeuw en matige vorst.

Klimatologisch is het een overgangsmaand bij uitstek waarin het nog zomers kan zijn maar ook al flink kan vriezen met kans op sneeuw. Het einde van de maand is gemiddeld zo'n vier graden kouder dan het begin. Het langjarig gemiddelde over de hele maand bedraagt in ons land 10,4 graden, maar het kan variëren van 6 tot 14 graden. September is 4 graden warmer en de temperatuurdaling zet gestaag door; november is nog eens 4 graden kouder dan oktober. De uitersten liggen ver uiteen: van 30,1 graden op 10 oktober 1921 in Sittard tot -8,5 graden op 28 oktober 1931 in Winterswijk en 24 oktober 2003 in Twente.

De kuststrook profiteert als erfenis van de zomer nog van het relatief warme zeewater en is in oktober doorgaans 1 tot 2 graden warmer dan het binnenland. Dat verschil is vooral merkbaar aan de afkoeling 's nachts. In het binnenland zijn een of twee vorstdagen normaal, maar aan de kust vriest het nog zelden, behalve op windbeschutte plaatsen in de duinen waar het lokaal flink kan afkoelen. Overdag kan het hier in de zon nog heel warm zijn en zo kan het bijvoorbeeld op de Wadden ook in deze tijd soms nog heel aangenaam zijn.

Gemiddeld over het land wordt het in oktober nog op 11 dagen warmer dan 15 graden en op 1 dag warmer dan 20 graden. Afgezien van het rustige herfstweer is de wind doorgaans sterker (op 4 dagen windkracht 6 of meer). De eerste stormdepressies verschijnen in het Noordzeegebied. Een zware storm met een uurgemiddelde wind van kracht 10 of meer is in oktober in de laatste honderd jaar aan de kust zes keer voorgekomen. Door de warme zee is de kust in deze tijd ook de natste regio. De Zeeuwse kust krijgt zo'n 85 mm, de kust van Noord-Holland ruim 100 mm. Landinwaarts zijn de hoeveelheden minder met het midden van Limburg als droogste gebied waar 60 mm normaal is. Gemiddeld regent het in oktober bijna 60 uur en de komende maand neemt de neerslagduur verder toe. De zon schijnt gemiddeld 104 uren, bijna 30 uren minder dan in september.

Oktoberwarmte
Hoewel het in de loop van oktober snel kouder wordt, kan het vooral in de eerste helft van deze maand nog warm worden. De middagtemperatuur zakt van gemiddeld 17 graden in het begin tot 11 graden eind oktober, maar soms kan het nog zomers warm worden. In De Bilt kwam de temperatuur in de 20e eeuw in oktober op zes dagen boven 25 graden. De warmste dagen waren 10 oktober 1921 (26,7 graden), 4 oktober 1983 (26,5 graden), 2 oktober 1908 (26,2 graden), 3 oktober 1908 (26,0 graden), 2 oktober 1959 (25,7 graden) en 9 oktober 1921 (25,0 graden).

Op 4 oktober 1983 werd zelfs op Schiermonnikoog 23,9 graden gemeten, maar Venlo was met 28,1 graden de warmste plaats. Het landelijke eeuwrecord staat geboekt op 10 oktober 1921 toen Sittard 30,1 graden bereikte. De dag daarvoor was toen in Limburg ook al bijna tropisch met in Maastricht 29,2 graden en de zomerwarmte was tekenend voor de hele maand. In het uiterste zuiden van Limburg leverde oktober 1921 liefst negen zomerse dagen (25 graden of hoger).

Zelfs eind oktober zijn in het zuiden van ons land nog zomerse temperaturen gemeten: op 27 oktober 1937 noteerde Maastricht 26,2 graden. In De Bilt is 10 oktober 1921 de laatste datum van het jaar waarop de temperatuur nog tot boven 25 graden (zomers) is opgelopen en 30 oktober 2005 de laatste datum met meer dan 20 graden (warm). Oktober 2005 leverde in Zuid-Limburg twee keer een serie van 5 warme dagen op, zodat de maand er 10 telde. Normaal telt weerstation Maastricht Airport in oktober 3 warme dagen.

Op 6 oktober 1997 werd in Maastricht 24,7 graden gemeten, bijna een zomerse dag dus. In 1996 noteerde het inmiddels opgeheven weerstation Oost-Maarland op 14 oktober 23,8 graden. Deze hoge temperatuur hield verband met een zwak föhneffect in het Limburgse heuvelland. Oktober 1990 leverde in Maastricht vanaf 11 oktober een reeks van vijf warme dagen met temperaturen tussen 21 en 24 graden. Ook 's nachts bleef het warm en in Vlissingen kwam de temperatuur in twee nachten niet onder de 15 graden. Nog zwoeler bleef het 's nachts op 3 oktober 1985 toen Maastricht een minimum noteerde van 18,0 graden. De Bilt had toen de warmste oktobernacht van de 20e eeuw met een minimum van 15,8 graden.

Oktoberkou
Vaak kent deze maand twee gezichten en vooral in de tweede helft van de maand kan het al flink vriezen.
Niet zelden komt het dan al in een aantal nachten op rij tot vorst en soms valt er al sneeuw. De vroegste sneeuw had De Bilt op 13 oktober 1975: vrijwel heel het land werd 's ochtends verrast door enkele centimeters sneeuw en midden op de dag wezen de thermometers 2 à 3 graden aan. Ook op 18 oktober 1973 en 24 oktober 2003 viel er sneeuw.

Sneeuw is in deze maand echter zeldzaam (in De Bilt was sinds 1901 op negen dagen sprake van uitgebreide sneeuwval), maar gemiddeld telt oktober wel 1 tot 3 vorstdagen. Behalve aan zee waar het relatief warme zeewater de vorst tegengaat. Soms vriest het in oktober landinwaarts al op 10 dagen. In 1912 sloeg de winter al in de eerste helft van de maand toe. Tussen 4 en 13 oktober 1912 kwam het in De Bilt al op 8 dagen tot lichte vorst. Winterswijk noteerde op 7 oktober 1912 met -5,7 graden al matige vorst.

De meest opmerkelijke oktoberkou beleefde ons land in de jaren 1919, 1920 en 1922. Oktober 1905 en 1922 zijn met in De Bilt 6,5 graden veruit de koudste zaaimaanden, zoals de maand ook wel wordt genoemd, van de eeuw. Normaal is een gemiddelde van 10,3 graden  (over 1971-2000). Tussen 22 en 29 oktober 1922 daalde de temperatuur iedere nacht onder nul en De Bilt had al twee nachten met matige vorst. Op 30 oktober van dat jaar viel de eerste sneeuw en kwam de temperatuur in De Bilt niet hoger dan 1,7 graden.

Oktober 1920 heeft een nog langere reeks vorstdagen op naam staan. Op 19 oktober begon het te vriezen en tot en met 11 november kwam het kwik iedere nacht onder nul, met uitzondering van 29 oktober. Oktober 1919 telde ook 10 dagen met vorst. De koudste oktobernacht beleefde ons land echter in 1931 toen het kwik op 28 oktober in Winterswijk tot -8,5 graden zakte. Ook De Bilt had toen met -7,8 graad zijn oktoberrecord. Op 24 oktober 2003 noteerde Twente een minimum van -8,4 graden.

Begin 1998 beleefden we het koudste weekeinde dat we ooit begin oktober hebben meegemaakt. Op 3 oktober 1998 kwam de temperatuur in De Bilt niet hoger dan 6,1 graad, een nieuw record voor de eerste tien dagen van oktober. De 4e oktober was met 8,9 graden nauwelijks minder koud. Op 12 oktober 2002 noteerde De Bilt 8,1 graden.
Veel vorst in oktober is volgens een aantal volkswijsheden een voorbode van een milde winter. Het is inderdaad een aantal keren voorgekomen dat een winter die al vroeg van zich laat spreken in de kiem wordt gesmoord, maar er zijn ook uitzonderingen.

Bron: KNMI en klimaatatlas van Nederland   

Begin van de herfst

Nader Verklaard
Op zondag 23 september om 11u51 MEZT begint volgens de sterrenkundige kalender de herfst 2007. De zon staat op dat moment precies boven de evenaar waardoor dag en nacht dan overal op aarde even lang duren. De astronomische herfst begint meestal op 23 september! De andere seizoenen echter meestal op de 21e. Dat heeft onder andere te maken met het feit dat de baan van de aarde geen cirkel is. De verschillende data zijn het gevolg van het feit dat we eens in de vier jaar een schrikkeljaar hebben dat een dag meer telt dan de andere jaren. In het begin van de 20e eeuw viel de eerste herfstdag enkele keren zelfs op 24 september, het laatst in 1931.

De astronomische seizoensindeling is gebaseerd op de positie van de aarde ten opzichte van de zon. De seizoensverschillen vinden hun oorzaak in de schuine stand van de as waar de aarde om draait. Hierdoor komt de zon op het noordelijk halfrond in de zomer hoger boven de horizon dan in de winter en schijnt daardoor in de zomer langer dan in andere jaargetijden.

Om praktische redenen en volgens internationale afspraak gebruiken de weerkundigen voor het berekenen van klimatologische gemiddelden een andere seizoensindeling. De Societas Meteorologica Palatina, een van de eerste internationale weerorganisaties onder leiding van de Duitse keurvorst Karl Theodor besloot in 1780 om steeds drie opeenvolgende kalendermaanden als één seizoen te beschouwen. Volgens de klimatologische indeling is de herfst al op 1 september begonnen en duurt het seizoen tot met 30 november.

Het weer stoort zich natuurlijk niet aan deze data en weerkundig is het een echt overgangsseizoen waarin het zowel zomers als winters kan zijn. De verschillen in temperatuur tussen het noordelijk halfrond en de tropen worden steeds groter, waardoor zich diepere depressies kunnen vormen die veel wind veroorzaken.
De steeds kortere dagen en de afnemende zonneschijn zorgen ervoor dat de temperaturen steeds lager uitvallen en het weer geleidelijk verslechtert. De eerste najaarsstormen kunnen al in oktober opsteken, maar de laatste jaren zijn in ons land in oktober ook nog regelmatig temperaturen tussen 20 en 25°C gemeten.
November biedt grotere stormkansen, winterse neerslag en soms ook al een ijslaagje. Een heel rustig en nevelig weertype is echter ook karakteristiek voor het najaar.

In de twintigste eeuw is de herfst in De Bilt 0,8 graad warmer geworden, van gemiddeld 9,4 graden over het tijdvak 1901-1930 tot 10,2 graden over 1971-2000.

De lange poolnacht
Aan de Noordpool gaat de zon bij het begin van de herfst voorlopig onder en begint een "poolnacht van zes maanden". Volgens de Stichting De Koepel in Utrecht, die de voorlichting verzorgt over astronomische verschijnselen, is het echter onjuist te beweren dat het aan de Noordpool zes maanden lang stikdonker is. Om te beginnen moeten we rekening houden met de atmosferische straalbreking en met de afmeting van de zon. Hierdoor gaat, aan de Noordpool, de bovenrand van de zon pas op 25 september 2007 onder, en komt hij weer te voorschijn op 18 maart 2008. Maar daarnaast is er natuurlijk ook nog schemering. Aan de Noordpool eindigt de burgerlijke schemering, wanneer het middelpunt van de zon zich 6 graden onder de horizon bevindt (heldere sterren en planeten worden dan zichtbaar), pas op 8 oktober 2007. Zelfs dan is het echter nog niet volkomen donker. Op 4 maart 2008 begint weer de burgelijke schemering.

Bron KNMI

September in Nederland

Nader Verklaard
Septem (zeven) was vroeger de naam van deze maand toen het voor de Romeinen de zevende maand was. In de Juliaanse kalender waarin het de negende maand werd, bleef de naam bestaan. Rond 800 (Karel de Grote) heette september haervistmanoth, van hervest en vergelijkbaar met harvest (oogst). Men sprak ook van d'ander oogstmaand, na augustus de tweede oogstmaand voor de late graangewassen. Andere namen zijn gerstmaand, havermaent en evenemaent van avena (haver).

Tegenwoordig wordt september de herfstmaand: het seizoen begint op 21, 22, 23 of 24 september. De data variëren onder meer door de niet precies ronde baan van de aarde om de zon en de extra dag in het schrikkeljaar. Weerkundigen kunnen daar voor hun klimatologische vergelijkingen moeilijk mee werken en gaan uit van kalendermaanden. Voor hen duurt de herfst van 1 september tot en met 30 november.

Zeker in de eerste drie weken van september kan het echter nog zomer zijn. Landelijk gemiddeld over dag en nacht is de temperatuur 14,1 graden, bijna 3 graden lager dan augustus. De verschillen tussen begin en einde van de maand zijn groot: de temperatuur daalt van 16 op de eerste dagen tot 12 graden op de laatste. Overdag is 18 tot 20 graden normaal. Soms wordt het nog warmer dan 30 graden, maar in een gewone september komt de temperatuur in De Bilt op nog maar 1 dag boven de 25, op 10 dagen boven de 20 en op 27 dagen boven de 15 graden. Vorst komt zo snel na de zomer zelden voor maar vlak boven het aardoppervlak kan het al wel vriezen, gemiddeld op 1 dag.

Sneeuw is in september nooit gemeld, maar een paar dagen met hagel en onweer zijn normaal. Vooral de kust heeft er in deze tijd last van onder invloed van de warme zee. In de nacht, wanneer de temperatuurverschillen boven het water het grootst zijn, is de buienactiveit aan zee het grootst. Overdag komen de buien verder landinwaarts, maar 's nachts staan hier vaak de sterren aan de hemel. De verschillen komen ook tot uiting in de hoeveelheid: het regent ongeveer 50 uur en daarvan krijgt de kust in september zo'n 85 tot 90 mm tegen 60 mm in het Oost-Brabant en Midden-Limburg. Koog op Texel is met 96 mm het natste, Stramproy krijgt 54 mm. September biedt vaker mist, op 7 tot 10 dagen tegen 4 in de zomermaanden. Vlak aan de warme zee is de mistkans kleiner. Ondanks de buien is hier de kans op zon groter: met gemiddeld 145 uren schijnt de zon aan zee zo'n 15 uur meer dan in het binnenland.

Bron: KNMI en Klimaatatlas van Nederland

Stormnamen

Nader Verklaard
In het Caribisch gebied, Mexico en Californië worden tropische stormen van orkaankracht (gemiddeld 118 km/u of meer) hurricanes genoemd. In de maanden augustus, september en oktober is de kans op zulke stormen hier het grootst. In de vorige eeuw kreeg een hurricane de naam van de heilige die hoorde bij de dag waarop de orkaan verwoestingen aanrichtte. Zo werd op 26 juli 1825 Puerto Rico getroffen door Santa Ana. In de loop van onze eeuw werden hurricanes aangeduid met hun lengte- en breedtegraad, maar dat leidde tot verwarring.

In de Tweede Wereldoorlog begonnen meteorologen met namen in alfabetische volgorde: de eerste storm van het seizoen kreeg een naam die begon met een A, de tweede met een B, enz. De Amerikaanse schrijver George Stewart publiceerde toen over negen dagen uit het leven van hurricane Maria. Dat bracht legermeteorologen op het idee de namen van hun vriendinnen aan orkanen te geven. De Amerikaanse weerdienst nam dat in 1953 over en stelde alfabetische namenlijsten op, die om de vier jaar werden herhaald. In 1970 besloot het "National Hurricane Center" in Miami om dat om de tien jaar te doen en de directeur koos voor namen van de vrouwelijke tak van zijn familie.

Protesten van feministen leidden in 1979 tot een nieuwe naamgeving met afwisselend namen van vrouwen en mannen. Tegenwoordig worden de namen voor periodes van zes jaar vastgesteld door de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO). De tropische depressies die deze stormen veroorzaken krijgen een naam uit de alfabetisch lijst (met uitzondering van de letters Q, U, X, Y en Z), zodra windkracht 8 wordt bereikt. De namen worden steeds herhaald, zodat bijvoorbeeld in het jaar 2000 dezelfde namen worden gebruikt als in 1994. Alleen de namen van verwoestende orkanen worden niet hergebruikt. Wanneer de namenlijst niet toereikend is en er na een hurricane met de letter W in dat seizoen nog meer hurricanes volgen, wordt een reservelijst aangebroken die bestaat uit de letters van het Griekse alfabeth, Alpha, Beta enz.

Na Dean zullen ook Erin, Gabrielle, Humberto, Ingrid en wellicht Olga de komende tijd op de weerkaart verschijnen. Zij horen tot de namen die de Wereld Meteorlogische Organisatie dit jaar bedacht heeft voor hurricanes op de Atlantische Oceaan.

Tropische stormen ontstaan in gebieden met zeetemperaturen van minstens 27°C en dat is in de periode december tot en met maart ook het geval bij Australië. Ze worden daar geen hurricanes, maar tropische cyclonen genoemd. Ook hier krijgen de stormen eigen namen: in het begin van deze eeuw waren dat de letters van het Griekse Alfabet en later koos de verantwoordelijke meteoroloog in Queensland voor namen van politici die hij niet mocht.

In landen als Korea, Thailand, Vietnam, China, Japan krijgen cyclonen namen van goden, zoals Prapiroon (Regengod), Wukong (Apenkoning) of Dianmu (Moeder van de Bliksem). In het verleden werden westerse vrouwennamen gebruikt. In de Aziatische landen riep dat weerstand op. Tropische cyclonen krijgen hier ook vier cijfers: de laatste twee cijfers van het jaar gevolgd door twee cijfers die de volgorde aangeven.

KNMI

Mistral

Nader Verklaard

Een onschuldige, maar voor vakantiegangers in het zuiden van Frankrijk vervelende wind waait nu in het Rhonedal. Het gaat hier om de Mistral.
De Mistral is een koude wind, die bij de Romeinen zoveel ontzag afdwong dat ze hem "magistralis" (meesterlijk) noemde. De bijzonder krachtige noorden- tot noordwestenwind, die windkracht 9 (stormkracht) kan bereiken, waait vaak in het dal van de Rhône in Zuid-Frankrijk. Soms wordt zelfs windkracht 10 of 11 bereikt met gemiddelde snelheden van meer dan 100 kilometer per uur en windstoten van 150 kilometer per uur.
De koude wind steekt op wanneer koude uit de poolstreken afkomstige lucht ver zuidwaarts Europa in wordt geblazen. Boven het veel warmere zeewater in de Golf van Genua ontstaat dan een actieve depressie, ook wel het Genua-laag genoemd. Deze depressie vergroot de bestaande luchtdrukverschillen waardoor het harder gaat waaien.

De lucht wordt tussen de bergwanden in het nauwe dal van de Rhône geperst, waar een extra versnelling optreedt. De wind neemt dus nog meer toe en kan enkele dagen aanhouden. Overdag is de wind meestal sterker dan 's nachts, omdat de temperatuurverschillen tussen de Rhône-vallei en de Middellandse Zee onder invloed van de zon dan het grootst zijn. Dat is echter niet altijd het geval: afhankelijk van de weersomstandigheden kan de Mistral soms ook 's nachts stevig blijven waaien. Op de schilder Vincent van Gogh maakte de nachtelijke Mistral tijdens zijn verblijf in Frankrijk zoveel indruk dat hij dacht dat die wind juist 's nachts het sterkst was.

Tijdens de Mistral is het in het Rhône-dal meestal onbewolkt, maar als de koude lucht tot boven het warme water van de Middellandse Zee komt, ontstaan daar buien. In Frankrijk is de Mistral een begrip en wordt er zelfs in de bouw en bij aanplant van bomen en gewassen rekening mee gehouden. Veel cypressen zijn zodanig geplaatst dat ze bescherming bieden tegen deze koude wind.

De Mistral is het sterkst in de winter en het voorjaar, maar kan tijdens de zomermaanden ook regelmatig opsteken. Met de noordelijke wind wordt koude lucht aangevoerd en zo kan het zelfs in het zuiden van Frankrijk op een juli- of augustusdag behoorlijk guur zijn, zeker als het ook nog eens bewolkt (en regenachtig) is. Op het moment dat de wind wegvalt en de zon goed doorbreekt is het ook weer direct fantastisch zomerweer.
In de Franse weerberichten wordt de Mistral vaak vermeld. Als daar die koude wind waait is het ook bij ons meestal guur met buien en voor de tijd van het jaar lage temperaturen.

Overigens is de Mistral niet de enige wind die regelmatig opsteekt in het Middellandse zeegebied. Zo waait in Kroatie soms een koude Bora wind en wordt de hitte op de Griekse eilanden vaak enigszins getemperd door de Meltemi. Als in het zuiden van Frankrijk de Mistral waait, staat bij de oostkant van de Pyreneeën vaak de Tramontane.

Bronnen: KNMI, Meteo Consult

Schaal voor hurricanes volgens Saffir & Simpson

Nader Verklaard
Hurricanes worden ingedeeld in vijf klassen volgens de schaal van Saffir & Simpson. Klasse 1 zijn hurricanes met een wind van gemiddeld minstens 117 km/u en hoogstens 152 km/u. Een hurricane met een gemiddelde wind van meer dan 248 km/u zit in klasse 5 en wordt extreem gevaarlijk genoemd.

Klasse    Omschrijving   Windsnelheid    Stormvloed                   Schade*
                                      (km/h)               (mtrs boven normaal)

  1          Zwak                118 - 152            1,2 - 1,6                            Meest lichte schade

   2          Matig               153 - 176            1,7 - 2,5                            Dak- en vensterschade
                                                                                                       en belangrijke schade
                                                                                                       aan bomen en gewassen

   3         Krachtig            177 - 208            2,6 - 3,7                           Grote schade met
                                                                                                       uitgebreide vernielingen
                                                                                                       aan gebouwen

  4          Zeer krachtig     209 - 248             3,8 - 5,4                           Zeer groot: daken
                                                                                                       weggeblazen, veel
                                                                                                       waterschade op de
                                                                                                       begane grond van
                                                                                                       gebouwen aan de kust

  5          Verwoestend      meer dan 248       meer dan 5,4                  Catastrofaal: vrijwel alle
                                                                                                      daken weggeblazen,
                                                                                                 evenals kleine lichtere bouwsels
                                                                                                 en grote schade aan gebouwen

                                                                                                                                                                                                                       

*Officiële omschrijvingen National Hurricane Center.
Hurricanes zijn veel krachtiger dan de stormen die we in ons land kennen. De hurricaneschaal begint aan de bovenkant van de windschaal van Beaufort, die we in Nederland hanteren. Gebieden waar hurricanes voorkomen zijn er meestal goed op voorbereid waardoor het schadebeeld anders is dan de schade bij stormen volgens de schaal van Beaufort.

© KNMI

Augustus in Nederland

Nader Verklaard
Voor de oude Romeinen was augustus de zesde maand (sextilus), maar na invoering van de Juliaanse kalender werd januari de eerste maand en augustus de achtste. De maand is genoemd naar Keizer Augustus. De maand kreeg net zoveel dagen als juli omdat keizer Augustus niet minder belangrijk was dan Julius Ceaser naar wie juli was genoemd.
Augustus is de tijd voor de oogst en ook bekend als oogstmaand, afgeleid van oastmoand of arenmonath. De Vlaamse dichter Guido Gezelle bedacht de naam korenmaand. De drukke werkzaamheden op het land bezorgden de maand ook de naam bouwmaand.

In het westen en noorden is augustus de warmste maand van het jaar, ongeveer een halve graad warmer dan juli. In het binnenland is augustus door de veelal koudere nachten enkele tienden graden koeler dan juli. Het verschil met de kust is groot: in Vlissingen ligt de minimumtemperatuur 4 graden hoger dan in het binnenland. In de middag worden landinwaarts de hoogste temperaturen gemeten: Brabant en Limburg hebben in juli en augustus een gemiddeld maximum van 23 graden tegen 20 op Terschelling en 21 graden in Vlissingen. De Zeeuwse kust telt in augustus vier zomerse dagen van 25 graden of meer, Brabant en Limburg negen. Hier wordt gewoonlijk op een of twee dagen meer dan 30 graden bereikt.

In de warmste gebieden schijnt de zon echter minder dan aan de kust, doordat de warmte leidt tot stapelwolken. Landinwaarts neemt de bewolking vaak toe zodat de kust meer zon ziet dan het binnenland. Het verschil is groot: aan zee schijnt de zon in augustus meer dan 210 uren tegen minder dan 185 in het oosten en zuidoosten van het land. Augustus is echter relatief de zonnigste zomermaand van het jaar: de zon schijnt gemiddeld over het land 43% van de tijd dat ze boven de horizon staat tegen 40% in juli en 38% in juni.

Van de drie zomermaanden is augustus met landelijk gemiddeld 60 mm in 32 uur de droogste maand. Juni levert gewoonlijk 70 mm op (in 45 uur), juli 66 mm (in 36 uur). Ondanks de grotere hoeveelheid wolken zijn oostelijk Brabant en midden Limburg in augustus de droogste gebieden met minder dan 60 mm. Het hoger gelegen Vaals is met 70 mm een stuk natter maar de meeste regen valt in augustus in het westen. De warme zee bevordert daar de buienvorming. Zowel aan de kust als in het binnenland komt het in augustus op 4 dagen tot onweer. Het westen van Brabant heeft 's zomers iets vaker onweer; de buien die warme lucht verdringen worden vaak pas op enige afstand van de kust actiever.

Bron: KNMI en Klimaatatlas van Nederland

Zomerstormen

Nader Verklaard

De meeste stormen komen voor in de periode oktober-april, maar ook in het zomerhalfjaar kan het hard waaien. De tweelingstormen van 27 en 28 mei 2000 zijn voorbeelden van zomerstormen, door hun koers via het Kanaal ook wel Kanaalratten genoemd. In de zomer duren stormen minder lang dan in de winter, maar dat maakt het niet minder gevaarlijk. Zomerstormen komen vaak plotseling opzetten en met name watersporters en houders van strandtenten in de problemen brengen. Bomen die vol in blad staan kunnen de wind moeilijk verdragen, vooral als het ook hevig regent.

Oud nieuws
De storm van 28 mei 2000 met in IJmuiden een uurgemiddelde van windkracht 10 en windstoten van 122 km/h was de zwaarste in mei sinds de storm van 28 mei 1860. De gelijkenis is niet alleen vanwege de datum opmerkelijk: ook in 1860 volgden beide stormen elkaar binnen 24 uur op, waarbij de tweede de zwaarste was. In de loop van die eerste Pinksterdag nam de wind toe tot kracht 10, zware storm, met windstoten van 115 km/h (Utrecht) en 151 km/h (Vlissingen).
De Pinksterstorm in 1860 motiveerde KNMI-directeur Buys Ballot tot oprichting van de stormwaarschuwingsdienst. Ook in dat opzicht is de gelijkenis treffend: de storm van 28 mei 2000 was de eerste waarbij een nieuw waarschuwingssysteem, het weeralarm, zijn diensten bewees. Uit onderzoek blijkt dat 72% van de bevolking kennis heeft genomen van de waarschuwingen en meer dan de helft heeft maatregelen genomen om schade te voorkomen.
Zomerstormen hebben in het verleden herhaaldelijk tot grote problemen geleid. De beruchtste zomerstorm van de 20e eeuw, is de Hemelvaartsdagstorm op 12 mei 1983. Volkomen onverwacht nam de wind in een uur toe tot windkracht 8 en aan de Zeeuwse en Hollandse kust en bij de Afsluitdijk tot windkracht 10. De vele watersporters die 's ochtends bij aardig weer het water op waren gegaan werden volledig overvallen door het noodweer, dat aan tien mensen het leven kostte. In Utrecht en omgeving ging de storm vergezeld van windhozen, waardoor veel schade werd aangericht.
Berucht is ook de zomerstorm van 30 september 1911, die met windstoten van 137 km/h vooral het Haagse bos trof. In de nacht van 26 op 27 augustus 1912 trok een volgende zomerstorm dwars over ons land. De depressie trok over Amsterdam waar de luchtdruk zakte tot 968 hPa, een zeldzaamheid zeker in de zomer. Hoek van Holland registreerde een windstoot van 148 km/h. De koude augustus van 1956 was met liefst vier stormen gewoon een herfstmaand.
De rekenmodellen van de atmosfeer en de mogelijkheden om waarschuwingen te verspreiden zijn nu veel beter dan in het verleden, zodat zomerstormen ons niet meer hoeven te overvallen. Ook de zomer van 2004 leverde zomerstormen op. Op 23 juni stond langs de kust heeft een zuidwesterstorm (windkracht 9) met windstoten van maximaal 104 km/uur. Op 19 augustus meldden veel kustplaatsen een stormacthige wind (windkracht 8) met windstoten van tot 100 km/uur.

© KNMI

Zware regen

Nader Verklaard

Aanhoudend zware regen met enkele tientallen millimeters regen binnen een etmaal kan aanleiding geven tot wateroverlast op wegen en aquaplaning (watergladheid). Vooral op wegen waar het water langzaam wegloopt levert dat gevaar op voor het verkeer, vooral bij hoge snelheid. Tijdens hevige regen kan het zicht vooral bij hoge rijsnelheid flink teruglopen, op de weg in combinatie met opspattend water tot minder dan 100 meter, vergelijkbaar met dichte mist !

Als in een gebied van minstens 50 bij 50 kilometer of geclusterd langs een buienlijn van 50 kilometer in 24 uur meer dan 75 mm wordt verwacht of in drie dagen meer dan 100 mm geeft het KNMI een Weeralarm af.

Hoe vaak valt hoeveel ?Grafiek_dagen_met_50_mm_of_meer_1
Een willekeurige plaats in ons land krijgt gemiddeld vijf keer per jaar een hoeveelheid van 20 mm binnen een etmaal; een etmaalsom van 30 mm komt ongeveer twee keer per jaar voor en eens per tien jaar valt er meer dan 50 mm op een dag. De meeste regen valt in de zomer, vooral wanneer een aantal onweersbuien na elkaar komen. Zo kreeg het KNMI in De Bilt op 1 augustus 1917 liefst 62,3 mm in de regenmeter en op 19 juli 1966 viel hier 61,2 mm in 24 uur. Landelijk staat het record van de afgelopen honderd jaar op 208 mm door wolkbreuken op 3 augustus 1948 in Voorthuizen.
Ook de laatste jaren viel vooral zomers lokaal veel regen. De zomer van 2004 was een van de natste ooit. Zowel de zomer van 2001 als die van 2002 leverde 12 dagen met zware buien op, de zomer van 2006 zelfs 13 dagen met zware regen, dat wil zeggen meer dan 50 mm op minstens één weerstation van het KNMI.

Op 25 augustus 2002 viel op zeker 23 weerstations meer dan 50 mm. Het komt niet vaak voor dat er op zoveel plaatsen zulke enorme hoeveelheden regen zijn gevallen. Heel bijzonder was 4 december 1960, toen maar liefst 103 KNMI-neerslagstations een hoeveelheid van minstens 50 mm aftapten. Bij de extreme regengebeurtenissen van 14 september 1998 en 28 oktober 1998 (waarbij de Wet op Tegemoetkoming Schade in werking werd gesteld) telden resp. 41 en 47 stations een hoeveelheid van minstens 50 mm.

Ook in het najaar kan het hard regenen, onder invloed van het nog warme zeewater vooral aan de kust. Het zuidwesten van ons land kreeg half september 1998 meer dan 150 mm. Op de Waddeneilanden viel eind oktober 2000 plaatselijk 80 tot 90 mm in een etmaal.

Meer neerslag in warmer klimaat
Neerslag hangt samen met de temperatuur en in een warmer klimaat kunnen grotere hoeveelheden neerslag vaker voorkomen. De winters worden gemiddeld natter en in de zomer neem ook de hevigheid van extreme regenbuien toe. De verandering in de gemiddelde neerslag in de zomer is nog onzeker. Volgens de klimaatscenario's hoort in ons land zowel een lichte toename als een forse afname van de zomerneerslag, wat leidt tot droogteperiodes, tot de mogelijkheden.

© KNMI

Hondsdagen

Nader Verklaard

Grote_hond_canis_major_1Sterrenbeeld: "De Grote Hond"
De dagen van omstreeks 20 juli tot rond 20 augustus worden de "Hondsdagen" genoemd. In deze periode, die soms ook wel eens iets eerder of later begint, komt de heldere ster "Sirius" van het sterrenbeeld "De Grote Hond" (Canis Major) gelijk met de Zon op. In deze tijd van het jaar is "Sirius" dus niet zichtbaar.
De periode van de Hondsdagen is het hoogtepunt van de zomer, de hoogzomer. In Nederland is Sirius op zijn vroegst op 25 augustus weer zichtbaar.
Veel mensen associeren de Hondsdagen met de aanwezigheid van veel insecten, met name muggen en vliegen.

Hitte
De Grieken en Romeinen zagen de "Hondsdagen" als de periode van de grote hitte. Ook voor ons land gaat dat op: de tijd van de "Hondsdagen" is de warmste van het jaar. Het etmaalgemiddelde van de temperatuur is dan 17 graden en 's middags is 19 tot 24 graden heel normaal. Ook komen tijdens deze dagen de meeste hittegolven voor.

Overstromingen
Voor de oude Egyptenaren vielen de "Hondsdagen" samen met de de jaarlijks terugkerende overstroming van de Nijl. Deze overstromingen, toen het Nassermeer nog niet bestond, waren het gevolg van seizoensregens in Ethiopië, de zuidelijke Soedan en vooral de omgeving van het Victoriameer. In Egypte zelf valt het hele jaar door nauwelijks regen.
Een overstromingsperiode, waarbij rivieren buiten hun oevers treden, is het bij ons niet, maar de warmte kan wel gemakkelijk voeding geven aan onweersbuien met veel regen in korte tijd en lokale wateroverlast. Een vochtig warm, broeierig weertype met zo nu en dan een paar stevige buien is karakteristiek voor de "Hondsdagen".
Voor onze voorouders, die nog niet over koelkasten beschikten, was dat ook de tijd waarin eten en melk sneller waren bedorven.

Honden?
In verscheidene landen had men vroeger de gewoonte om honden tijdens de "Hondsdagen" muilkorven om te doen uit vrees voor hondsdolheid. Maar de "Hondsdagen" hebben verder niets te maken met honden, al kan het tijdens een onweer hondenweer zijn. Het woord "hondenweer" is afgeleid van het oud-Nederlandse woord "ondeweer", dat slecht weer betekent.
In het fries bestaat het woord 'ungetiid', dat was de zomerperiode tijdens de hooioogst.

Vroeger ging men ervan uit dat het weer tijdens de "Hondsdagen" het weer tijdens de nazomer en herfst zou kunnen voorspellen. Zo is er een gezegde dat zegt:
Komen de Hondsdagen met veel regen, dan gaan we slechte tijden tegen,
maar komen de Hondsdagen helder en klaar, verwacht dan maar een gunstig jaar.

Met dank aan Adri Huiskamp, Jacob de Jong en Baltus Zwart.

Bron: KNMI

Wolkbreuk

Nader Verklaard

Verkeer_200707_1_1Een enorme plensbui, die in korte tijd een gebied of wijk onder water zet, wordt ook wel een wolkbreuk genoemd. In een warm klimaat is zo'n hevige bui veel gewoner dan in het gematigde klimaat dat wij kennen, zodat aan dat begrip niet overal dezelfde betekenis wordt gehecht. Ook in Nederlandse publicaties worden verschillende definities genoemd.

Een bui, waarin het zo hard regent dat er in 5 minuten ruim 10 mm of meer valt wordt door de waarnemers van het KNMI een wolkbreuk genoemd. In een uur zou er dan meer dan 25 mm kunnen vallen en als die hoeveelheid wordt gemeten wordt de bui als wolkbreuk in de klimatologische overzichten van het KNMI gearchiveerd. Het zicht loopt tijdens een wolkbreuk terug tot minder dan 200 meter. Een willekeurige plek in ons land krijgt gemiddeld eens in de tien jaar een wolkbreuk te verwerken.

Toch horen we elke zomer wel berichten over ondergelopen kelders en straten en vrijwel jaarlijks komt er wel ergens in het land een wolkbreuk voor. Wanneer het weinig waait en de buien lange tijd boven een bepaald gebied blijven hangen of een serie hevige buien overtrekt kunnen er vooral 's zomers aanzienlijke hoeveelheden regen vallen. Een willekeurige plaats in Nederland krijgt ook eens in 10 jaar in 24 uur een hoeveelheid van meer dan 50 mm te verwerken.

Meer dan 50 mm in een uur
Op sommige dagen is er echter nog veel meer gevallen. Zo viel er op 24 juni 1975 in Gouda binnen 24 uur 146 mm regen. Op 9 augustus 1951 kreeg een weerstation van het KNMI in Amsterdam 148 mm en het eeuwrecord van de regen in ons land staat nog altijd genoteerd voor Voorthuizen, waar in 1948 op 3 augustus 208 mm is gevallen. Een enorme plens in korte tijd, als we bedenken dat er in een jaar tijd gewoonlijk zo'n 800 mm valt.

De grootste neerslagintensiteit wordt meestal in de zomer gemeten en de laatste jaren zijn herhaaldelijk zware buien gevallen. De zomers van 2001 en 2002 telden beiden een record aantal van 12 dagen met lokaal 50 mm of meer in een etmaal. Soms viel er meer dan 50 mm binnen een uur. Op 14 september 1998 viel in Dirksland op de Zuid-Hollandse eilanden 134 mm, op drie na de hoogste dagsom van de 20e eeuw.

© KNMI

Wandelweer: Nijmeegse Vierdaagse

Nader Verklaard 

Wandelaars die flinke afstanden afleggen en langdurig in de buitenlucht doorbrengen, zijn sterk afhankelijk van het weer. Bij grote inspanning kunnen zon en hitte, zeker als de lucht vochtig is, tot een onbehaaglijk gevoel, stress of uitputting leiden, maar ook regen en kou zijn natuurlijk niet prettig. Op 21 juli 1992 werden de Vierdaagse lopers en toeschouwers in de vroege ochtend getroffen door een hevig onweer, dat vooral in de open weilanden een levensgevaarlijke situatie opleverde.

In de jaren 1996-1998 en ook in 2002 was het tijdens de Vierdaagse aangenaam weer met temperaturen tussen 20 en 23 graden. Heel wat aangenamer dan in 1995 en 2003 toen resp. 21 en 17 juli met 35 graden in Nijmegen de heetste Vierdaagsedagen waren in de historie. Door een naderend onweer nam de vochtigheidsgraad van de lucht bovendien toe, waardoor de hitte zeer onaangenaam werd en veel mensen onwel werden.

Ook in 1994 moesten de lopers de afstanden afleggen in de felle zon en temperaturen tussen 25 en 30 graden. De ergste hitte kwam gelukkig net na de Vierdaagse: op 24 juli 1994, twee dagen na het wandelfestijn, steeg de temperatuur in Nijmegen tot 35 graden. Dramatisch was het verloop van de Vierdaagse in 2006 toen het evenement na de eerste wandeldag en voor het eerst in de geschiedenis vanwege de extreme hitte werd afgelast. Juli 2006 was de warmste maand in de geschiedenis met op een aantal dagen temperaturen tussen 35 en 37 graden.

Uit klimatologische gegevens van het KNMI en persoonlijke aantekeningen blijkt dat de Vierdaagse van 1972 in zijn totaliteit de warmste was. Van 18 tot en met 21 juli 1972 noteerde Nijmegen dagelijks temperaturen rond 30 graden en koelde het daar ook 's nachts niet verder af dan 18 tot 20 graden. Ideaal wandelweer met aardig wat zon, aangenamere temperaturen tussen 20 en 25 graden en geen regen kwam sinds het begin van de jaren vijftig tijdens de Vierdaagse maar zes keer voor.

In veel gevallen was het koeler met regenperiodes of buien. Enkele Vierdaagsedagen vielen volledig in het water met langdurig regen bij temperaturen rond 15 graden. In 1999 was vooral de donderdag slecht: het regende de hele dag en het wandelgebied rond Nijmegen kreeg zo'n 10 mm! De koudste start beleefden de lopers in 1971: de eerste dag (20 juli) was het 's ochtends maar 8 graden. De Nijmeegse Zomerfeesten die al het weekeinde voorafgaand aan de Vierdaagse beginnen, kregen zelfs te maken met voor juli zeer lage nachtelijke temperaturen van 3 graden en in de omgeving plaatselijk zelfs vorst aan de grond.

De laatste veertig jaar was het tijdens de hele Vierdaagse slechts vijf keer alle dagen koud met temperaturen tussen 15 en 18 graden. In de meeste gevallen was het normaal Hollands juli-weer: licht wisselvallig met af en toe regen of een bui en middagtemperaturen van ongeveer 21 graden.

© KNMI

Nader verklaard

Tyfoon   
Wervelstorm van verwoestende kracht in het zuidwestelijke deel van de noordelijke Stille Oceaan. De tyfonen koersen veelal in noordelijke richting naar de Filippijnen, China of Japan, waar veel schade wordt aangericht. Op de Filippijnen wordt een tyfoon ook wel taifoon of baguio genoemd. In het Caribisch gebied, de Noord-Atlantische Oceaan en de Golf van Mexico noemt men zo'n wervelstorm een hurricane, in Australië  een Willy-Willie en in andere delen van de wereld gebruikt men gewoon de algemene benaming en wordt gesproken van een tropische cycloon.

Tropische cyclonen
zijn hevige en gevaarlijke wervelstormen met verwoestende windsnelheden tot 300 kilometer per uur en huizenhoge golven. In tegenstelling met een "gewone" orkaan is de tropische variant tot grote hoogte gevuld met warme lucht. Tropische cyclonen ontstaan boven het noordelijk halfrond in de zomer en het najaar. Voorwaarde is een zeewatertemperatuur van minstens 26 graden. De levensgeschiedenis van tropische stormen begint meestal boven zee en de verwoestende uitwerking is het grootst in kustgebieden en op eilanden. Zodra de cycloon landinwaarts koerst neemt het windgeweld meestal snel in kracht af, maar valt er wel vaak veel regen, soms meer dan 500 millimeter in een dag.
In het "oog" van de cycloon met een doorsnede van 30 tot 50 kilometer, klaart het op en is het nagenoeg windstil, de stilte voor de storm. Zodra het "oog" voorbij is steekt de storm aan de achterkant weer op en dan uit een andere richting.
Meteorologen kunnen de baan van een storm en de windkracht op basis van computerberekeningen met een redelijke nauwkeurigheid enkele dagen tevoren inschatten, zodat de bedreigde bevolking tijdig kan worden gewaarschuwd en zo nodig geëvacueerd.
Ex-tropische cyclonen worden in hun eindfase vaak meegenomen door de westenwinden. Zodra de cycloonrestanten in de gematigde breedten boven minder warm oceaanwater terechtkomen, zwakken ze af en wordt het een "gewone" depressie.
Afhankelijk van het gebied waar ze ontstaan heten ze  tyfonen (Stille Oceaan) of hurricanes (Caribisch gebied)

Een Hurricane
is een tropische orkaan met gemiddelde windsnelheden van meer dan 117 kilometer per uur in het gebied van de Atlantische Oceaan. Deze orkanen zorgen voor schade door wind, zware regen en stormvloed in de Verenigde Staten, met name de Amerikaanse oostkust, Mexico, Midden-Amerika en het Caribisch gebied met de Bovenwindse Eilanden. Meteorologen kunnen de koers en ontwikkeling van een hurricane aardig inschatten op basis van computerberekeningen van de atmosfeer. Actuele waarnemingen, ook vanuit vliegtuigen spelen een belangrijke rol in de voorspellingen. Onduidelijk is in hoeverre klimaatveranderingen invloed op hurricanes; de klimaatmodellen spreken elkaar tegen.

Bron: KNMI

Een eeuw windhozen

Nader Verklaard

Windhozen horen tot de gevaarlijke weersverschijnselen die zich ook in Nederland kunnen voordoen. Windhozen ontstaan in onweersbuien als de lucht in een klein deel van een wolk snel opstijgt. Een rotatie in de aangezogen lucht wordt dan versterkt en kan snelheden bereiken van een paar honderd kilometer per uur. Als de opstijgende lucht vochtig is, wordt de omhoog wervelende lucht zichtbaar als een trechtervormige uitstulping onder de wolk. Door het voortbewegen van de wolk met slurf en al kan een schadespoor ontstaan van soms kilometers lengte.
Lichte hoosjes komen in ons land vrijwel jaarlijks voor, meestal in het zomerhalfjaar. Hozen boven water, waterhozen, komen het meest voor in augustus boven de Waddenzee wanneer de watertemperatuur daar hoog genoeg is. De kracht van een windhoos wordt uitgedrukt in de schaal van Fujita: lopend van 1 voor een lichte tot 5 voor een catastrofale hoos. Sommige onweersbuien in Nederland kunnen vergezeld gaan van zware windhozen. Enkele malen in de 20ste eeuw waren ze in staat om stevige gebouwen met de grond gelijk te maken, zodat ze te vergelijken waren met de Amerikaanse tornado's.

Onweersbuien kunnen behalve windhozen ook catastrofale valwinden veroorzaken. Het is soms onduidelijk welk deel van de schade aan wervelwinden was toe te schrijven. De kenmerkende slurf is ook niet altijd goed te zien. De schade van de ramp bij Borculo op 10 augustus 1925 kwam grotendeels door valwinden. Op 1 juni 1927, was bij Neede sprake van een tornado van klasse 4, waarbij tien doden vielen. Bijna even krachtig was de tornado op 23 augustus 1950 die een spoor van 46 kilometer lengte trok met vooral schade aan de bossen van de Veluwe. Slachtoffers vielen er toen niet.

Ernstiger waren de gevolgen op 25 juni 1967, toen Oostmalle (België), Chaam en Tricht werden getroffen. Er vielen zeven doden waaronder vijf in een woonwijk in Tricht. Minder zware windhozen (klasse 2) zijn in de 20e eeuw minstens dertig keer voorgekomen. Ook die waren in staat schade aan te richten aan gebouwen, kassen en bomen. Een recent voorbeeld is de windhoos die op 9 september 1998 dwars door Deventer trok en vooral bomen trof.

De schadeklasse zegt niet alles over het gevaar. In een caravan of tent is men kwetsbaarder dan in een gebouw. Zo waren er zowel op 11 augustus 1972 als op 17 augustus 1992 op Ameland slachtoffers te betreuren toen een windhoos over een camping trok. Op 6 oktober 1981 kwamen bij Moerdijk zeventien mensen om toen hun vliegtuig een vleugel verloor en neerstortte. Dit gebeurde in de omgeving van een windhoos, die aan de grond nauwelijks schade aanrichtte.

© KNMI

Windhoos

Nader Verklaard

Vooral in de zomerperiode, maar soms ook in de winter, gaan onweersbuien soms vergezeld van windhozen. Een windhoos is een wervelwind (een snel draaiende kolom lucht) die vaak als een trechtervormige slurf onder een onweerswolk zichtbaar is. De hoos trekt met de bui mee en laat door wind en grote luchtdrukverschillen een spoor van vernielingen achter. Soms bevat de windhoos objecten die tijdens de tocht over het aardoppervlak zijn opgezogen. De zichtbare slurf bestaat net als een wolk uit waterdruppeltjes. De windsnelheden bij een windhoos kunnen zeer lokaal oplopen tot enkele honderden kilometers per uur en de passage van een hoos gaat gepaard met een enorm lawaai.

De kans dat een gebied in ons land wordt getroffen door een zware windhoos, ook wel tornado genoemd, is echter maar heel klein. Zware windhozen, die grote schade aanrichten zijn in ons land heel zeldzaam en het gebied waarin ze optreden is meestal niet groter dan een smalle baan van twee tot enige tientallen kilometers lengte en enkele honderden meters breedte.

Windhoos_4Gemiddeld enkele malen per jaar veroorzaken minder zware windhozen zeer plaatselijk een enorme ravage. Vaak worden zware windstoten, die ook veel schade aanrichten, aangezien voor windhozen. Of werkelijk sprake is geweest van een hoos kan in de regel pas achteraf worden vastgesteld aan de hand van verslagen van ooggetuigen en de aard van de schade.

Windhozen zijn vrijwel niet te voorspellen, maar wel kunnen ze alleen optreden bij bepaalde weersomstandigheden. De verschillen in temperatuur en vochtigheid tussen de lucht aan het aardoppervlak en op grote hoogte in de atmosfeer moeten heel groot zijn. Bovendien moet op zo'n 10 kilometer hoogte een zeer sterke wind staan (straalstroom). Dan ontstaan de enorme buienwolken die hozen kunnen bevatten. In de nazomer en het najaar ontstaan de meeste buien boven de relatief warme zee of het IJsselmeer. Hozen die bij buien boven water optreden en het land niet bereiken worden waterhozen genoemd.

© KNMI

Waterhoos

Nader Verklaard

Waterhozen zijn kleine trechtervormige slurfjes veroorzaakt door snel draaidende luchtbewegingen die soms onder de wolken zichtbaar zijn boven de Noordzee, de Waddenzee en het IJsselmeer. Als zo'n slurf het wateroppervlak raakt en water opzuigt wordt dat een waterhoos genoemd. Een waterhoos is eigenlijk net als een windhoos, alleen ontstaat een windhoos boven land. Een waterhoos verliest meestal zijn kracht zodra die boven land komt. Alleen in zeldzame gevallen behoudt de waterhoos langs de kust voldoende kracht om ongelukken te veroorzaken en schade aan te richten.

Waterhozen komen vooral in de tweede helft van de zomer en het najaar voor, wanneer het relatief warme zeewater de vorming van buien bevordert. Die buien ontstaan vooral in koude, uit de poolstreken afkomstige lucht waarbij grote temperatuurverschillen optreden tussen het zeewater en de lucht daarboven. Jaarlijks worden voor onze kust en boven het IJsselmeer tientallen waterhozen gezien. Waarschijnlijk komen er in werkelijkheid meer voor, maar niet alle hozen worden opgemerkt. Op 17 augustus 1953 zijn boven het IJsselmeer in anderhalf uur tijd 18 waterhozen waargenomen.

Waterhozenijsselmeer280703koers Waarschuwingen voor waterhozen

Vooral wie zich op het water bevindt moet bedacht zijn op waterhozen. Het windveld is in de regel veel minder sterk dan bij windhozen, maar sterk genoeg om voorzichtigheid in acht te nemen. Meer algemeen: watersporters doen er verstandig aan om wanneer een flinke bui in aantocht is zo snel mogelijk de kant op te zoeken en het water te verlaten. Afgezien van hozen gaan zware buien vaak vergezeld van windstoten en onweer. Het KNMI geeft vooraf geen speciale waarschuwingen uit voor wind- of waterhozen, omdat ze niet te voorspellen zijn en alleen zeer plaatselijk voorkomen. Wel wordt bij het type buien dat vergezeld kan gaan van zware hozen gewaarschuwd voor zware of zeer zware windstoten en wordt er melding van gemaakt zodra ergens een waterhoos is waargenomen. Waterhozen zijn echter meestal niet zwaar en leiden zelden tot ernstige problemen.

© KNMI

Onweer

Nader Verklaard

Wanneer het KNMI onweer verwacht moet altijd rekening worden gehouden met de mogelijkheid van heftige weersverschijnselen, zoals plotselinge windstoten, zware regen of hagel. Hoe zwaar de buien werkelijk worden is in de regel pas kort tevoren vast te stellen. Waarschuwingen voor zware windstoten of hagel worden daarom in het algemeen niet eerder dan 6 tot 12 uur vóór de buien gegeven.

Zware onweersbuien zijn meestal het gevolg van een toevallige samenloop van omstandigheden, zoals grote temperatuurverschillen, vochtige lucht en een sterke wind op grote hoogte in de atmosfeer. Bovendien hangt de intensiteit van het onweer af van het tijdstip van de dag waarop de buien passeren. In de zomermaanden is de kans op zware buien in de avond en het begin van de nacht in het algemeen het grootst. Foto20van20weer_5

De activiteit van de buien kan van plaats tot plaats sterk uiteenlopen. Op de ene plaats kunnen tientallen millimeters regen vallen, terwijl het op enkele kilometers daar vandaan nagenoeg droog blijft. Ook windstoten en hagel kunnen heel lokaal optreden, zodat tevoren nauwelijks is aan te geven welke gebieden het ergst zullen worden getroffen.

Uit de tijd die verstrijkt tussen bliksem en donder kunt U afleiden of het onweer nabij is. Het geluid legt in drie seconden een afstand van ongeveer één kilometer af. Als de donderklap binnen 10 seconden na de bliksemontlading te horen is dan is het onweer gevaarlijk dichtbij en kunt U het best binnenshuis blijven, in een afgesloten auto of metalen caravan.

In het verkeer kan onweer heel gevaarlijk zijn, omdat de bliksemflitsen U kunnen verblinden. Een blikseminslag kan verkeerslichten ontregelen en alarmsignalen bij spoorwegovergangen uitschakelen, zodat ook na een onweer extra voorzichtigheid geboden is. Tijdens onweer kunt U veel hinder ondervinden van windstoten en zware neerslag. In een bijzonder zwaar onweer is het beter even te stoppen tot het ergste voorbij is.

Bron KNMI

Donder

Nader Verklaard

Rommelend of explosief geluid bij onweer dat ontstaat door de zeer hoge temperatuur die in minder dan een duizendste van een seconde ontstaat in een bliksemschicht. De lucht zet daar zeer sterk uit en door die uitzetting ontstaat een drukgolf die te horen is als donder. Het geluid verplaatst zich met een snelheid van 340 meter per seconde. Is de donder dus drie seconden na het zien van een bliksemflits te horen dan is de onweersbui nog slechts een kilometer verwijderd en daarmee gevaarlijk dichtbij.

© KNMI

Bliksem

Nader Verklaard

Bliksem wordt veroorzaakt door een ontlading tussen een elektrisch geladen wolk en de aarde, tussen twee of meerdere wolken met tegengestelde elektrische lading onderling, of doordat één wolk tegengestelde ladingen meetorst.
De temperatuur in een bliksemschicht loopt op tot ongeveer 30.000 graden Celsius. De gemiddelde stroomsterkte is zo'n 60 kA en de spanning loopt in de miljoenen volts.
Een bliksemschicht is gemiddeld 5  tot 6,5 kilometer lang en 2,5 cm in doorsnede, maar reikt soms over afstanden van meer dan 100 kilometer.

Onweer_en_bliksem_9707_rotterdam De elektrische lading ontstaat door sterk dalende koude en stijgende warme luchtstromingen. Door die sterke luchtstromingen worden de elektrische ladingen als het ware opgewreven.
In  Nederland slaat de bliksem ongeveer 100.000 keer per jaar in.
Is een onweersbui binnen een straal van een kilometer genaderd, dan kan bliksem schade aanrichten. De afstand kan worden geschat: één seconde staat voor ongeveer driehonderd meter. Tel onmiddellijk na de flits de seconden af en je weet hoe ver de bliksem verwijderd was.

Bron: KNMI

Juli in Nederland

Nader Verklaard

Quintilus afgeleid van quinque (vijfde) was de oude Romeinse naam voor juli, de vijfde maand in hun telling. Juli is genoemd naar keizer Julius Ceasar die op de 12e geboren zou zijn. Hij bepaalde dat het jaar 365 dagen telt met om de 4 jaar een schrikkeldag extra. Juli werd door keizer Karel de Grote hooimaand genoemd. Andere benamingen zijn medemaand (afgeleid van maaien), vennemaand (oudfries voor fenne, wat weiland betekent) en dondermaand.

Dat laatste slaat natuurlijk op onweer waar de warme maand rijk aan is. Een gewone juli telt 4 of 5 dagen waarop donder wordt gehoord, in het zuidwesten van Brabant onweert het op 6 dagen. Daarmee hoort deze maand tot de meest onweersrijke. Een enkele maal komt het daarbij tot zware hagel die grote schade kan aanrichten.

Het naar verhouding vele onweer hangt uiteraard samen met de warmte. Juli is met landelijk gemiddeld 17,2 graden (tijdvak 1971-2000 over 15 weerstations) de warmste maand, maar augustus doet er nauwelijks voor onder. Juli is de laatste jaren veel warmer: het gemiddelde over 1961-1990 was met 16,6 graden. Overdag ligt het gemiddelde tegenwoordig op 21,6 graden tegen 21,9 graden in augustus. De nachten zijn in juli het warmst behalve aan zee en het IJsselmeer waar het vooral later in de zomer 's nachts warmer blijft. De invloed van het opgewarmde warme zeewater is tot een strook landinwaarts duidelijk herkenbaar in de temperatuur.

Gemiddeld over het land valt in juli 66,0 mm regen tegen 69,5 mm in juni en 59,5 mm in augustus. De minste juliregen krijgt het noordwestelijke kustgebied met 57 mm in Den Helder. Het natst is het lokaal in Drenthe en Groningen (Uithuizen 87 mm) en in Zuid-Limburg (Noorbeek 88 mm). De regen valt landelijk gemiddeld in 36 uur verspreid over 18 dagen, terwijl juni 45 regenuren telt en augustus slechts 32. Op 2 dagen valt 10 mm of meer.

De zon schijnt gemiddeld over het land 199 uur en daarmee biedt juli van de drie zomermaanden de meeste zon. De zon schijnt gedurende 40% van de tijd dat ze op basis van de daglengte kan schijnen. In augustus is dat 43%, maar het werkelijk aantal zonuren is door de afnemende daglengte toch wat minder. In juli zijn gewoonlijk 2 dagen zonloos tegen slechts 1 in augustus.

Juli is ook de maand met de grootste kans op tropische warmte (30 graden of meer). In De Bilt telt de maand gewoonlijk 2 tropische dagen, het Limburgse Arcen telt er normaal 3. In hete maanden wordt herhaaldelijk de 30 graden overschreden. Zo telde juli 1994 in het zuiden van ons land 13 tropische dagen. In De Bilt had toen 8 tropische dagen. In juli 1941 kwam de temperatuur hier een week achtereen dagelijks boven de 30 graden, de langste aaneengesloten tropische reeks. Juli 2006 telde in De Bilt 11 tropische dagen, in Arcen zelfs 18.
Ook ’s nachts blijft het in juli soms warmer dan 20 graden. Op 11 juli 1923 noteerde Vlissingen een minimum van 23,3 graden, zover bekend de hoogste minimumtemperatuur van ons land. Voor De Bilt staat het nachtelijk julirecord op 20,6 graden in juli 1925.

Zon_juli_1 Neerslag_juli_1_3

Gemiddelde_temperatuur_juli

Klik op kaartje voor vergroting

Bron: KNMI en Klimaatatlas Nederland

Wat te doen bij onweer en bliksem

Bliksemgevaar

Nader Verklaard

Bliksem is één van de gevaarlijkste weersverschijnselen. Het is dan ook raadzaam om bescherming te zoeken, zeker wanneer het onweer nabij is en de tijd tussen bliksem en donder minder dan 10 seconden bedraagt. Het is verstandig om al alert te zijn wanneer het gerommel in de verte hoorbaar is. Het gevaar om persoonlijk door de bliksem getroffen te worden is relatief gering, maar de gevolgen kunnen ernstig zijn. Gemiddeld worden tegenwoordig in Nederland 1 of 2 mensen per jaar dodelijk door de bliksem getroffen, vroeger waren dat er waarschijnlijk meer.

Onweersbuien kondigen zich meestal luid en duidelijk aan en ook in de weersverwachting wordt de kans op onweer aangegeven.

Bij naderend onweer kunt u het best naar binnen gaan en de ramen gesloten houden om schade door wind en regen te voorkomen. Veilig is ook een afgesloten auto of metalen caravan, omdat bij een blikseminslag de lading direct wordt afgevoerd. De restlading die op de auto achterblijft is zo gering dat u na een inslag niet tegen een paaltje hoeft te rijden. Wacht echter met uitstappen tot het onweer voorbij is.
Het licht van de bliksem is bijzonder fel en een nabije inslag kan u verblinden. Automobilisten moeten behalve op windstoten en zware regen ook daarop bedacht zijn. In huis kunt u beter niet te dicht bij het raam staan. Bij een (nabije) blikseminslag zal de stroom zich een weg banen langs leidingen en daarom is het, om schade aan apparatuur te beperken, aan te raden tijdig stekkers uit de antenne-aansluitingen te halen en de telefoonaansluiting los te koppelen van de computer. Tijdens onweer kunt u, zeker als uw huis niet beveiligd is tegen de bliksem, ook beter geen bad of douche nemen en kranen, radiatoren en wasmachines niet aanraken. Wie buitenshuis overvallen wordt door het onweer en geen goede schuilplaats vindt kan zich het best zo klein mogelijk maken door op de hurken te zitten. Houd daarbij de voeten tegen elkaar, zodat de stroom niet door uw lichaam kan lopen. Schuil nooit onder een alleenstaande boom, langs een bosrand of in de buurt van een metalen afrastering.
Bij naderend onweer kunt u meren, vaarten, de zee en het strand, ook vanwege plotselinge windstoten, het best verlaten: zwemmen, surfen en varen is dan levensgevaarlijk. Alleen boten met een afgesloten metalen hut zijn binnen veilig. Ook in een tent loopt u groter risico dan binnenshuis vooral als de tent het hoogste punt in de omgeving is. Plaats de tent echter niet onder een alleenstaande boom, bij een metalen hek of lichtpalen. Ook bij een inslag dicht in de buurt kunt u verwondingen oplopen en beter is het om vóór een flink onweer een schuilplaats te zoeken binnen, in een auto of een metalen caravan.

Bolbliksem

Nader Verklaard

Een bolbliksem heeft iets weg van een UFO: ooggetuigen genoeg, maar een wetenschappelijke verklaring is er niet. Een bolbliksem doet zich alleen voor bij onweer, vooral als het onweer zwaar is. Als dichtbij de bliksem inslaat blijft soms seconden lang een helder oplichtend object zichtbaar. Wat we van het verschijnsel weten is gebaseerd op de talloze verslagen van ooggetuigen. Na vrijwel elk onweer ontvangt het KNMI meldingen van bolbliksems.

De meeste waarnemingen zeggen iets over de afmeting, de baan en de kracht van de bolbliksem. De grootte is vrij gering, ongeveer vergelijkbaar met de omvang van een tennisbal en slechts zelden zo groot als een voetbal. Vaak wordt het verschijnsel waargenomen langs bovengrondse hoogspanningskabels of langs een dakgoot. Soms zweeft de bolbliksem door een straat. Meestal dooft de bol uit zonder schade aan te richten. In sommige gevallen is de bolbliksem met een explosie beëindigd en ooit kwam de bolbliksem in een regenton aan zijn einde: het water begon meteen te koken.
Bolbliksems kunnen ook binnenshuis doordringen en er zijn meldingen dat de bol via een schoorsteen, deur of raam binnenkwam. Tot de merkwaardige verhalen behoort het binnendringen via gesloten ramen, soms met schade, maar soms ook zonder enig spoor na te laten. Dit laatste sluit aan bij de theorie die veronderstelt dat de bolbliksem een elektronenwolk (plasma) is. Toch is ook die theorie twijfelachtig, omdat een elektronenwolk niet seconden lang kan blijven bestaan.
De meeste waarnemingen zijn gedaan in enkele seconden en onder gevaarlijke omstandigheden. Metingen of duidelijke foto's van een bolbliksem bestaan niet. Dat maakt het moeilijk om verklaringen van dit verschijnsel te bevestigen of te weerleggen. Pogingen om bolbliksems op te wekken hadden geen succes. Sommige deskundigen denken dat het gewoon een blikseminslag is, waarvan het beeld secondenlang op het netvlies blijft staan. Zeker is dat het hoogstens een bijverschijnsel is van een inslag.
Een verklaring van onderzoekers uit Nieuw Zeeland gaat ook uit van een blikseminslag. Als de hoeveelheid koolstof in de grond bij het inslagpunt 1 of 2 keer groter is dan de hoeveelheid siliciumoxide, ontstaat bij een temperatuur boven 3000 graden silicium of verbindingen daarvan. Heel kleine deeltjes hiervan vormen fijne dradennetwerken in de vorm van pluizige bollen. De energie die de bol doet gloeien is het gevolg van oxidatie. Bijna alle aspecten van bolbliksems kunnen hieruit verklaard worden: deze kan zowel als een nachtkaars uitgaan als eindigen in een explosie.

© KNMI

Weeralarm

Nader verklaard

Wanneer het weer om extra oplettendheid vraagt door gladheid, mist of storm dan wordt u gewaarschuwd door het KNMI. Dreigt het extreem te worden dan volgt een Weeralarm, een ernstiger waarschuwing. De waarschuwingen en het Weeralarm worden zo mogelijk voorafgegaan door een voorwaarschuwing waarin wordt aangegeven hoe groot de kans is dat het extreem wordt en een Weeralarm volgt. In het Weeralarm wordt nadrukkelijk gewezen op de mogelijke gevolgen en de risico's van het gevaarlijke weer. In dit dossier vindt u alle beschikbare informatie over het Weeralarm: wat zijn de criteria, wanneer en hoe vaak wordt het uitgegeven, wie zijn erbij betrokken en hoe het wordt verspreid. U kunt het Weeralarm nu ook op uw eigen site opnemen. Waarschuwingen en het weeralarm voor Europa zijn te vinden op de site meteoalarm.eu .

© KNMI

Begin van de zomer

Nader Verklaard

Op donderdag 21 juni om 20.06 begint de zomer van 2007 en duurt dit jaar tot 23 september, althans volgens de sterrenkundige kalender.

Om praktische redenen en volgens internationale afspraak gebruiken de weerkundigen voor het berekenen van klimatologische gemiddelden een andere seizoensindeling. Volgens de klimatologische indeling is de zomer al op 1 juni begonnen en duurt het seizoen tot met 31 augustus.

Het is hoe dan ook de langste dag vandaag, begonnen om 5.19 uur en eindigend om 22.04 uur.

De zomer begint wanneer de (geocentrische) lengte van het midden van de zon precies 90 graden bedraagt, en eindigt wanneer de lengte precies 180 graden is.

De astronomische seizoensindeling is gebaseerd op de positie van de aarde ten opzichte van de zon. De seizoensverschillen vinden hun oorzaak in de schuine stand van de as waar de aarde om draait. Hierdoor komt de zon op het Noordelijk Halfrond in de zomer hoger boven de horizon dan in de winter en schijnt de zon in de zomer langer dan in andere jaargetijden. In Noord-Europa is het daardoor in deze tijd langer licht dan in Zuid-Europa, een effect dat ook in ons eigen land merkbaar is. Op de Waddeneilanden kan de zon nu ongeveer een half uur langer schijnen dan in het zuiden van Limburg. In het gebied noordelijk van de Poolcirkel gaat de zon dezer dagen zelfs helemaal niet onder, waardoor een deel van Scandinavië de Middernachtzon beleeft.

De zomertijd duurt in 2007 van zondag 25 maart tot en met zondag 28 oktober (3 uur 's nachts).

Bron: KNMI